Bas Krins

Bijbelgetrouw christen zijn vandaag.

Jezus Leven

Kritische bespreking van het boek van Henk Stoorvogel.


1. Inleiding

Het boek “Jezus Leven” van Henk Stoorvogel wil het leven van Jezus beschrijven vanuit de tijd waarin Hij leefde en met oog voor de Joodse cultuur. Een uitstekend uitgangspunt, en met enthousiasme ben ik begonnen met het lezen van het boek. Naarmate ik vorderde in het boek nam de teleurstelling echter toe. Er zitten zoveel onnauwkeurigheden en zelfs onjuistheden in het boek, dat het hele boek mij tegen is gaan staan. Ter illustratie wil ik een paar punten aanstippen. Ik kan niet uitsluiten dat ik op een enkel punt een bron over het hoofd kan hebben gezien en de bewering van de schrijver wel blijkt te kloppen. Echter het algehele beeld van de inhoud van het boek is duidelijk.

 

2. Vroege Jodendom versus latere Jodendom

Veel van onze kennis van de Joodse opvattingen komen uit de Talmoed. De Talmoed is een bundeling van verschillende werken waarin de Joodse traditie is verzameld. De oudste delen zijn ontstaan rond 200 n.Chr., de jongste rond 1000 n.Chr. Als de Talmoed wordt gebruikt om de opvattingen van de Joden in de eerste eeuw te beschrijven, dan moet zorgvuldig worden nagegaan hoe oud een bepaalde traditie is die in de Talmoed is terug te vinden. In dit boek gaat het helaas regelmatig mis. In het boek wordt overigens gesproken over de Talmoed alsof die er al was in de tijd van Jezus. Uiteraard klopt dat niet. Hieronder vier voorbeelden van latere Joodse tradities die ten onrechte in de eerste eeuw worden geplaatst:

1) De uitgebreide beschrijving van het onderwijssysteem past niet in het Jodendom van de eerste helft van de eerste eeuw, maar werd pas later geïntroduceerd. Het schoolsysteem is opgericht door Joshua ben Gamla in 64 n.Chr. (Babylonische Talmoed, Bava Batra 21a). De Beth Sepher (voor kinderen vanaf 5 jaar) kwam pas in de 2de eeuw op grote schaal buiten Jeruzalem voor. De schrijver geeft aan dat de volgende stap de Beth Talmud was en dat daarna de Beth Midrash kwam. Dat klopt niet; beide begrippen werden naast elkaar voor dezelfde school gebruikt, waarop kinderen vanaf 13 jaar naartoe gingen.

2) Het hele idee dat het een grote eer voor iemand zou zijn om uitgenodigd te worden om een rabbi te volgen kan moeilijk in de eerste eeuw geplaatst worden. Het is mij niet gelukt om te achterhalen waar deze opmerking op gebaseerd is. Sterker nog, het hele beeld dat we krijgen is dat mensen zelf hun rabbi zochten (zie o.a. Maimonides Talmoed Torah 5:1). 

3) De mondelinge traditie omvatte 613 regels. In het boek wordt gesproken over 1521 aanvullingen op de 613 regels. Dit klopt niet. In de Talmoed wordt ergens gesproken over 39 x 39 (dat is 1521) regels voor het houden van de Sabbat. Deze traditie is van eeuwen later (Yer. Shab. vii. 2). Overigens, de traditie met betrekking tot de 613 regels (248 geboden en 365 verboden) komt uit de 3de eeuw (Tractaat Makkot 23b) en bestond dus ook niet in de eerste eeuw.

4) N.a.v. de geschiedenis van Lazarus wordt vermeld dat de geest van een overledene drie dagen rondom deze overledenen zweeft. Deze opvatting komen we tegen in Genesis Rabbah en Leviticus Rabbah, en die zijn pas eeuwen nadien opgeschreven. Er zijn ook opvattingen bekend dat de ziel een week of zelfs een jaar in de buurt van het lichaam blijft. Hoe men erover dacht in de eerste eeuw is onduidelijk.

 

3. Buitenlandse termen

Een aantal termen uit de Joodse uitleg van het Oude Testament worden in het boek gebruikt om de Evangeliën uit te leggen. Voor veel lezers zal dit gezien kunnen worden als een verdieping van de uitleg, maar het is maar de vraag of dit terecht is. Het gaat dan om drie begrippen.

1) In het boek wordt Jezus regelmatig omschreven als een rabbi met ‘smicha’. De hele discussie over een rabbi met ‘smicha’ (autoriteit) komt uit het latere Jodendom. De Rabbijnen spraken zich uit over de overlevering van de mondelinge tora door bepaalde rabbi’s als gezaghebbend te erkennen. De mondeling tora is de traditie die mondeling werd overgeleverd van generatie op generatie door rabbi’s die als gezaghebbend werden erkend. Als het iets is waar Jezus tegen ageerde, dat was het wel juist deze mondelinge tora (zie bijv. Mark. 7:7). Door Jezus op één lijn te zetten met rabbi’s die de mondelinge tora moesten overleveren met gezag, ontstaat er een wel hele wrange vergelijking. Jezus sprak immers met gezag, en niet zoals de schriftgeleerden (Mat. 7:28-29).

2) In het boek worden de manieren besproken waarop Jezus onderwijs geeft. Eén van die manieren is volgens de schrijver het geven van een hint. Hij gebruikt hiervoor de term ‘remez’. De term ‘remez’ (hint) komt echter uit het middeleeuws Jodendom, om precies te zijn de kabbalistiek. Ik zou niet graag mijn uitleg van de Bijbel willen baseren op deze mystieke Joodse uitleg.

3) Als de geschiedenis van de vrouw die vraagt om een kruimeltje van de tafel wordt beschreven, dan gebruikt de schrijver de term ‘chutzpah’ (gotspe). Dit begrip is overigens niet Hebreeuws maar Jiddisch. De Joden gebruiken dit woord om de houding van Abraham tegenover God te beschrijven als hij discussieert over de verwoesting van Sodom en Gomorra. Of Mozes die opkomt voor zijn volk, ook al zijn ze onmiskenbaar fout.

Nu we het toch over buitenlandse termen hebben. In het boek wordt ook regelmatig gesproken over ‘tassel’. Het is onduidelijk waarom hier een Engelse term wordt gebruikt in plaats van het Nederlandse ‘kwast’ of het bekende Hebreeuwse begrip ‘tsietsiet’.

In alle gevallen voegt het gebruik van buitenlandse termen niets toe. Sterker nog, voor mij zou de inhoud van het boek aan waarde winnen als het gewoon in het Nederlands was geschreven.

 

4. Bijbelse broodje-aapverhalen

Volgens Wikipedia is een broodje-aapverhaal “een (grotendeels) verzonnen verhaal dat als waargebeurd wordt doorverteld en daardoor aan overtuigingskracht wint. Bronnen ontbreken meestal; wie het verhaal (door)vertelt, heeft het van iemand anders gehoord die op zijn beurt de oorspronkelijke verteller evenmin kent. Meestal ontbreken exacte data, locaties en namen van personen”. Dit verschijnsel zien we ook veel als het gaat om Bijbeluitleg. Op internet, maar ook in boeken, gaan regelmatig beweringen rond die niet kloppen, en waar geen betrouwbare bron voor is. Soms lijkt het wel of iedereen teksten van elkaar kopieert zonder de betrouwbaarheid van de beweringen te controleren. Ook in dit boek komen we dit tegen. Hieronder een paar voorbeelden:

1) Als Jezus naar de Dekapolis gaat dan beweert de schrijver dat dit gevaarlijk was. Er is echter geen enkele reden om aan te nemen dat het gevaarlijk was om door de Dekapolis te trekken. Integendeel, de Joden konden vrij reizen door het Romeinse rijk en er leefden zelfs meer Joden buiten Israël dan erin.

2) De hele beschrijving van Caesarea Filippi is nogal fantasievol. De grot met het beeld van Pan zou bekend staan als de poort van de hel. Inderdaad gaat het verhaal over de ‘poort van de hel’ rond op internet, er is geen enkele historische bron hiervoor. Datzelfde geldt voor het fallussymbool dat bij de grot te vinden zou zijn.

3) Als Romeinen mensen veroordeelden en lieten kruisigen, dan kwam het vaak voor dat de lichamen na de dood aan het kruis bleven hangen. Na enige tijd werden de beenderen dan ergens weggegooid. Joden kregen - in tegenstelling tot wat in het boek wordt beweerd - regelmatig toestemming de lichamen te begraven (Josephus: Joodse Oorlogen, 4, 317). Voor de bewering dat de lichamen in het dal van Hinnom werden geworpen, zoals het boek beweert, is geen betrouwbare bron.

4) Bij de beschrijving van de laatste week van Jezus wordt aangegeven dat Simon van Cyrene naar alle waarschijnlijkheid een donkere Afrikaan was. Dat klopt niet. Als hij in Jeruzalem was tijdens de feestdagen, dan was hij daar waarschijnlijk omdat hij een Jood is. Er woonden in die tijd veel Joden in de verstrooiing in Cyrene (het huidige Libië). De zoons van Simon van Cyrene hebben een Griekse en een Romeinse naam. Ook dat wijst erop dat hij geen Afrikaan was.

5) In dit kader wil ik nog wijzen op een andere passage in het boek. De schrijver beschrijft hoe leerlingen leerden van hun rabbi door te zien hoe ze handelen. En als voorbeeld vermeldt hij dan dat ze zelfs de rabbi volgden naar het toilet en bij het beminnen van hun vrouw. Dat is wat overtrokken. Deze bewering is gebaseerd op een passage in de Talmoed (Berachot 62a). Daar lezen we dat Rabbi Akiva één keer zijn leermeester Rabbi Yehoshua gevolgd heeft terwijl deze naar het toilet ging. Later wordt Akiva een keer gevolgd door zijn leerling. In dezelfde passage in de Talmoed lezen we dat Rabbi Kahana een keer aanwezig is in de slaapkamer van zijn leermeester terwijl deze gemeenschap heeft met zijn vrouw. Als deze rabbi daarachter komt dan jaagt hij hem echter de slaapkamer uit omdat hij dit als onfatsoenlijk beschouwt. Dit laatste weet de schrijver, want we komen deze geschiedenis tegen in zijn boek "De Leerling'.

 

5. De mythe van de reuzen

Opmerkelijk is de verwijzing naar de mythe van de reuzen in het boek. Deze mythe kennen we uit buitenbijbelse Joodse volksliteratuur, zoals het boek 1 Henoch. Hier is sprake van de geboorte van reuzen uit de verbintenis van engelen met mensen. Deze mythe is ontstaan naar aanleiding van Gen. 6:1-4. De tekst in Genesis spreekt over huwelijken tussen gelovige mannen en ongelovige vrouwen in de tijd dat er reuzen op aarde waren. In de Joodse literatuur is deze tekst gebruikt voor een mythe over het verwekken van reuzen, ondanks het feit dat in Gen. 6 er geen sprake is van het verwekken van reuzen.

We weten dat er in Israël reuzen hebben geleefd, zoals de Refaïeten. We komen ze al tegen als de verspieders het land verkennen. Hier gaat het niet om een mythe, maar om echte reuzen naar mijn overtuiging. Echter, in het boek wordt de mythe van de reuzen verbonden met de Refaïeten, en Og wordt een hybride godmens genoemd. Het is onduidelijk of de schrijver de mythe van de reuzen als geschiedenis ziet, of dat hij de geschiedenis van de overwinning van Og wordt afgedaan als een mythe. In beide gevallen is dat jammer. De mythe is een buitenbijbelse mythe en naar mijn overtuiging niet meer dan dat, en de geschiedenis van de overwinning van Og is werkelijkheid.

 

6. De intocht in Jeruzalem

Bij de intocht van Jezus in Jeruzalem op een ezel verwijst de schrijver naar een vergelijkbare intocht van Judas de Makkabeeër in Jeruzalem. Het was echter niet Judas maar Simon de Makkabeeër die Jeruzalem binnentrok en met palmbladeren werd toegejuicht (1 Makk. 13:51). Maar belangrijker nog is dat in deze passage de verwijzing naar Zach. 9 en 14 – zeer belangrijk voor het begrijpen van deze perikoop – in het geheel ontbreekt. Want het is duidelijk dat de intocht op een ezel een verwijzing is naar Zach. 9, het begin van de eindtijdprofetie van Zacharia. En het volk begrijpt dit. Want hun reactie is een verwijzing naar Zach. 14, het einde van deze profetie. En het is jammer dat deze verwijzing ontbreekt voor een boek dat pretendeert juist vanuit de Joodse achtergrond een tekst te willen toelichten

 

7. Taalproblemen

In de tijd van Jezus werd door het volk Aramees gesproken. De wereldtaal was Grieks. En het Oude Testament, de Tenach, was geschreven in het Hebreeuws. De precieze betekenis van de Godsnaam JHWH is onduidelijk. Taalgeleerden gaan ervan uit dat het een verbuiging is van het werkwoord ‘zijn’ in het oud-Hebreeuws. Als Jezus zegt “Ik ben het” dan heeft Hij zeker geen “JHWH” gezegd. Jezus sprak Aramees, geen Hebreeuws en al helemaal geen oud-Hebreeuws. Ook zou Jezus als Jood nooit deze naam van God uitgesproken hebben.

Verder bevat het boek nog een andere opmerking die mij verbaast. De schrijver zegt dat als hij de Godsnaam uitspreekt dit klinkt als shj-fiet. Het ontgaat mij over welke taal we het dan hebben.

 

8. Andere onjuistheden

Tot slot een paar andere onjuistheden.

1) In tegenstelling tot wat in het boek staat is de inwijding van een rabbi met 'smicha' geen publiekelijke ceremonie met een handoplegging door twee personen. Er was geen handoplegging, er waren drie personen nodig, en deze hoefden op dat moment niet eens op dezelfde plaats te zijn (Talmoed Sanhedrin 13b; Maimonides Sanhedrin 4).

2) De opmerking dat in Kafarnaüm de grootste onderwijsinstelling voor rabbijns onderwijs stond klopt niet. Niet in de eerste eeuw en ook later niet.

3) De opmerking dat jongens werden onderwezen in de Thora en meisjes in de boeken Deuteronomium, Psalmen en Spreuken klopt niet. Er was geen verschil tussen jongens en meisjes. Beiden werden onderwezen in de Thora.

4) Als Jezus de Nazoreeër wordt genoemd dan geeft de schrijver aan dat het gaat om een dialect. Echter, het gaat hier om een Griekse schrijfwijze, en niet om één of ander Galilees dialect waarin sprake zou zijn van een spelling met een ‘o’. In de Evangeliën en Handelingen worden de begrippen 'Nazarener', 'Nazoreeër' en 'uit Nazaret' gewoon naast elkaar gebruikt.

5) Purper was van een slak afkomstig en niet van een slang.

6) De tsietsiet was geen symbool voor de Messias.

7) Vis was geen toetje. Vis was zo overvloedig beschikbaar dat het naast brood het meest gegeten voedsel was.

8) Volgens de schrijver zijn er rabbi’s geweest die blinden konden genezen en verlamden deden lopen. Maar geen doden konden opwekken. Er zijn inderdaad mededelingen over Griekse, Romeinse en Rabbijnse wonderdoeners, echter die mededelingen zijn niet betrouwbaar. Te denken is aan Apollonius van Tyana (die overigens wel iemand uit de dood zou hebben opgewekt!), Rabbi Honi de cirkel-trekker, Rabbi Hanina ben Dosa, en vele anderen. Historici beschouwen deze verhalen echter als legendes. Mede gezien het feit dat ze pas zeer lang na dato zijn opgeschreven.

9) De schrijver vermeldt dat de Joden bij geseling moesten stoppen als vrouwen urineerden of bij mannen als zij hun ontlasting lieten gaan. Dit klopt niet: er was geen onderscheid tussen mannen en vrouwen; in beide gevallen moest gestopt worden zodra de veroordeelde zijn of haar urine of ontlasting liet gaan (Maimonides Misneh Torah Sanhedrin 17:5). Deze regel is overigens pas in de 12de eeuw opgeschreven.

 

9. Slotopmerkingen

De insteek van het boek om Jezus te beschrijven vanuit de wereld van de eerste eeuw met aandacht voor de Joodse achtergrond is uitstekend. De uitvoering laat echter zoveel te wensen over dat het mij stoort. De vraag is welke bronnen door de schrijver gebruikt zijn. Achter in het boek worden vier belangrijke bronnen genoemd. Twee ervan zijn uit de 19de eeuw, dus wel wat gedateerd. Maar het is niet duidelijk of dat de onnauwkeurigheden te herleiden zijn tot deze bronnen of dat ze ergens anders vandaan komen. Het boek is niet van een soort waar je een uitgebreide bronverantwoording door middel van noten kunt verwachten. Maar gezien het grote aantal vragen die het boek oproept is dat wel een gemis.

Het is jammer dat dit boek slordig omgaat met Joodse tradities, en veel beweringen niet kunnen worden ondersteund door primaire bronnen. Uiteraard heb ik de schrijver om een reactie gevraagd. Die heb ik helaas niet gekregen.

 

Bas Krins – maart 2020