Bas Krins

Bijbelgetrouw christen zijn vandaag.

Is de Uittocht van Israël uit Egypte historisch?


Inleiding

Het is één van de belangrijkste historische gebeurtenissen die in het Oude Testament beschreven staan: de Uittocht van het volk Israël uit Egypte. Opmerkelijk genoeg is het ook een zeer omstreden feit. Volgens de beschrijving in de Bijbel zijn er ruim 600.000 volwassen mannen uit Egypte getrokken. In totaal moet dan dus de bevolking naar schatting meer dan 2 miljoen mensen hebben omvat. Deze groep heeft 40 jaar door de woestijn gezworven. Zonder dat daar archeologische sporen van te vinden zijn. Dat is nauwelijks denkbaar, en om die reden zijn er veel wetenschappers die aannemen dat de beschrijving van de Uittocht in de Bijbel niet historisch kan zijn. Ten onrechte, zoals uit het vervolg van dit artikel zal blijken. Want hoe meer gegevens er opduiken uit het oude Midden-Oosten, des te meer blijkt dat de gegevens uit de geschiedenis zoals beschreven in Exodus kloppen met buitenbijbelse gegevens.

  

De omvang van het volk

In Exodus lezen we dat bij de Uittocht de bevolking ongeveer 600.000 mensen telde (Ex. 12:37). Bij het overzicht van de kosten van de tabernakel komen we een meer precies getal tegen, namelijk 603.550 (Ex. 38:25-26). Per persoon wordt een halve sjekel betaald, en het totaal is volgens deze tekst 100 talent en 1775 sjekel. Aangezien een talent 3000 sjekel is, klopt dit precies. Meer uitgebreide tellingen komen we tegen in Numeri. Gelijk aan het begin staat per stam het aantal volwassen mannen opgesomd, met uitzondering van de stam Levi. Het totaal is dan opnieuw 603.550 (Num. 1:46; Num. 2:32). Aan het einde van de woestijnreis wordt er opnieuw geteld. Dan blijkt dat het volk ongeveer even groot gebleven is, namelijk 601.730 (Num. 26:51). Alles lijkt erop te wijzen dat het volk Israël ongeveer 600.000 mannen telde van 20 jaar oud en daarboven, de Levieten niet meegerekend. Dus in totaal zo’n 2 miljoen mensen. Toch roept deze ogenschijnlijk eenvoudige conclusie veel vragen op.

Er zijn aanwijzingen vanuit de Bijbel zelf dat de omvang van het volk toch niet zo groot geweest moet zijn. Zo wordt vermeld dat het volk niet met genoeg mensen was om het land te vullen (Ex. 23:29-30; Deut. 7:22). Op dit moment telt het land Israël ruim 8 miljoen inwoners, en het land is redelijk gevuld. Een aantal malen wordt gesteld dat het volk klein was, kleiner dan de volken in Kanaän (Deut. 4:38; 7:7, 17). Er woonde in Kanaän zeven volken die groter en machtiger zijn dan de Israëlieten (Deut.4:38; 7:1,7; 9:1; 11:23). Jozua stuurde ongeveer 3000 man naar Ai om de stad te veroveren. In de strijd sneuvelen 36 man en daarom vlucht het leger van Israël (Joz.7:5). Ook getallen die later genoemd worden wijzen op een kleiner volk. Zo kon Deborah slechts 40.000 strijders oproepen uit 6 stammen (Richt. 5:8).

Jakob kwam met zeventig personen in Egypte (Gen. 46:27). God zegt tegen Abram: "Het vierde geslacht echter zal hierheen wederkeren, want eerder is de maat van de ongerechtigheid van de Amorieten niet vol" (Gen. 15:16). Een periode van vier generaties is in overeenstemming met gegevens uit Exodus en Numeri. Enkele voorbeelden waarbij iemand van de vierde generatie na die van de zonen van Jakob tot de uit Egypte wegtrekkende Israëlieten blijkt te behoren, zijn: Levi-Kehath-Amram-Aäron-Eleazar (Ex. 6:15-22; Num. 26:59-61 en 1 Kron. 23:12) en Juda-Perez-Hezron-Ram-Amminadab (Num. 26:19-21 en 1 Kron. 2:3-10). In vier generaties kan een groep mensen van 70 personen niet gegroeid zijn tot 2 miljoen personen.

Er zijn aanvullende argumenten. We lezen dat er 22.273 eerstgeboren jongens waren van 1 maand oud of meer (Num. 3:43). Met een beetje rekenwerk komen we tot de conclusie dat een vrouw gemiddeld 50 zonen en 50 dochters moet hebben gehad. Dat is onmogelijk veel. We weten dat het volk in één nacht door de Rietzee is getrokken (Ex. 14:20, 24). Er zijn berekeningen te maken over de tijd die nodig is om een volk van 2 miljoen mensen een zee van te laten oversteken in bijvoorbeeld 12 uur. Hoewel het niet onmogelijk is om zoveel mensen in zo korte tijd een water te laten oversteken, lijkt het toch wel onwaarschijnlijk. Ook wordt vermeld dat er twee vroedvrouwen waren (Ex. 1:15). Dat lijkt wat weinig voor een bevolking van 2 miljoen mensen. Maar voor een bevolking van bijvoorbeeld enkele tientallen duizenden heel goed mogelijk. Stonden Sifra en Pua wellicht aan het hoofd van een gilde van vroedvrouwen? Waren zij Egyptische vroedvrouwen, terwijl naast hen nog Hebreeuwse vroedvrouwen actief waren? Of moeten we opnieuw concluderen dat het volk in werkelijkheid minder groot was?

We zitten hier met een dilemma waar bij mijn weten nog niemand een afdoend antwoord heeft gevonden. Uit alles blijkt dat de grote getallen als reële decimale getallen worden beschouwd. We zagen dat al bij de berekening van de kosten van de tabernakel. Een ander interessant voorbeeld is de strijd tegen de Midjanieten in Numeri 31. De buit van maagden, schapen, runderen en ezels wordt in twee gelijke delen verdeeld over de strijders en de anderen. Van de helft voor de strijders wordt vervolgens 1/500-ste deel afgezonderd voor de Heer. Als we alle getallen narekenen, dan blijkt dat de berekeningen gewoon kloppen.

Anderzijds is er sterk de neiging om naar verklaringen te zoeken waardoor de getallen verlaagd worden. Zo is bekend dat het woord ‘elef’ (‘lf) dat met duizend wordt vertaald, ook een eenheid of groep kan betekenen (zie bijv. Ex. 12:37, 20:6, 34:7; Num. 1:16; 10:36; 31:5; Deut.5:10; 33:17; Joz. 22:14; 22:30; Richt. 6:15; 1 Sam. 10:19; 23:23; Micha 5:1). Er zijn uitleggers die bijvoorbeeld het getal 46.500 (letterlijk: 46 ‘duizend/groep’ ‘en/of’ 500) uit Numeri vertalen als 46 groepen oftewel 500 mannen. Dat is zeker mogelijk, maar als we deze manier van lezen verder doorzetten naar andere teksten dan komen we toch wel wat problemen tegen.

Getallen in de Bijbel blijken vaak niet op dezelfde wijze als exacte eenheden te worden gehanteerd als we in onze huidige westerse samenleving doen. Dat zien we ook in andere voorbeelden. Zo lezen we bij de volkstelling van David dat er 800.000 krijgslieden waren waaronder 500.000 uit de stam Juda (2 Sam. 24:9) respectievelijk 1.100.000 krijgsleden waaronder 470.000 uit Juda (1Kron. 21:5). Waarom zijn deze tellingen verschillend? Doodde David van de Arameeërs 700 paarden (2 Sam. 10:18) of waren er dat 7.000 (1 Kron. 19:18)? En hoeveel paarden had Salomo? Waren dat er 40.000 (1 Kon. 4:26) of 4.000 (2 Kron. 9:25)?

Als we alle gegevens overzien dan moeten we concluderen dat het niet duidelijk is hoe groot het volk precies geweest is toen het uit Egypte trok, maar dat het waarschijnlijk veel kleiner is geweest dan de 2 miljoen personen die vaak als uitgangspunt worden genomen.

  

Geen schriftelijke of archeologische bron in Egypte?

Historici merken op dat we geen schriftelijke bron uit Egypte hebben waarin de Hebreeërs of Israëlieten vermeld worden. Dat klopt. Maar dat is geen verrassing. Alle semitische slaven werden door de Egyptenaren aangeduid als ‘Aziaten’. Bovendien moeten we ervan uitgaan dat 99% van alle papyri uit het oude Egypte verloren zijn gegaan. En ter vergelijking, we hebben ook geen archeologische bronnen van de migratie van de Kelten naar Klein-Azië. En er zijn meer voorbeelden van grote migraties die we uit schriftelijke bronnen kennen zonder dat we daar archeologische onderbouwing voor hebben. Kortom, de afwezigheid van bronnen bewijst helemaal niets.

Maar er is nog een ander punt van aandacht. Als we goed kijken naar de chronologie van de Egyptische farao’s en de Bijbelse geschiedenis, dan blijken er toch veel meer archeologische gegevens te zijn dan je zou verwachten.

  

Chronologie

Er is discussie over de vraag of de uittocht in de 15de of in de 13de eeuw v.Chr. plaats vond. Zoals Exodus vermeldt moesten de Israëlieten de voorraadsteden Piton en Raämses bouwen (Ex. 1:11). Veel geleerden nemen aan dat de naam Raämses erop wijst dat deze stad gebouwd werd in opdracht van farao Ramses II (1279 – 1213 v.Chr.) en dat de uittocht dus in de 13de eeuw gedateerd moet worden. Dat is echter maar de vraag.

Er is een belangrijk argument tegen deze datering. Op de Overwinningsstèle van Merenptah, de zoon en opvolger van Ramses II, wordt Israël genoemd als een zelfstandige natie. Dat is niet denkbaar als de Uittocht nog maar zo kort ervoor zou hebben plaatsgevonden.

De Bijbelse gegevens zelf wijzen ook op een andere periode. De jaartallen van de koningen van Israël zijn behoorlijk goed te bepalen. In Koningen staat dat met de bouw van de tempel begonnen is in het 480 ste jaar na de uittocht, in het vierde jaar van de regering van Salomo (1 Kon. 6:1). Dat moet in 966 geweest zijn. Dan was de uittocht dus in 1445 v.Chr. en de intocht in het land Kanaän in 1405 v.Chr. Jefta, die leefde rond 1100 v.Chr., geeft aan dat de Israëlieten al ongeveer 300 jaar in het land wonen (Richt. 11:26). Die uitspraak is in overeenstemming met deze datering. Tot slot kan gewezen worden op het feit dat volgens het geslachtsregister van Kronieken er minstens 18 generaties zitten tussen Korach uit de periode van de uittocht en Heman, de zanger aan het hof van David (1 Kron. 6:33-37). Ook dit gegeven past in dit tijdschema.

De Bijbelse gegevens blijken dus duidelijk te wijzen op een uittocht in de 15 de eeuw, en het blijkt dat als we in die periode gaan zoeken er meer archeologische gegevens zijn die de Bijbelse geschiedenis ondersteunen dan je zou verwachten.

Hoe zit het dan met de datering van de bouw van de stad Raämses? Dat blijkt op een misverstand te berusten. Lang heeft men gedacht dat de stad Pi-Ramesse, de Egyptische naam voor Raämses, onder de huidige stad Tanis ligt. De oudste bewoningslaag blijkt uit de 13de eeuw te zijn, en dus werd geconstateerd dat dit de stad was die de Israëlieten hebben moeten bouwen. De laatste decennia worden er echter opgravingen gedaan op een plek meer naar het zuiden. Hier lag de stad Avaris, die verwoest is rond 1530 v.Chr. En vlakbij werd vervolgens de stad Qantir gebouwd, die later de naam Pi-Ramesse kreeg toen Ramses II de stad uitbreidde. Omdat de Nijlarm waaraan Pi-Ramesse lag verzandde bouwde men de nieuwe hoofdstad Tanis. Daarbij zijn in de 11de eeuw veel materialen uit Pi-Ramesse met onder andere namen en afbeeldingen van Raämses II hergebruikt. Vandaar dat men tot 1975 ten onrechte dacht dat Tanis het oude Pi-Ramesse was. Kortom, de stad Raämses die de Israëlieten moesten bouwen blijkt Qantir zijn. Deze stad werd pas later Pi-Ramesse genoemd.

Feitelijk is dus de aanduiding Raämses een anachronisme. Bedoeld is: de plaats die men op het moment van schrijven kende onder deze naam. Ook al is deze plaatsnaam zelf veel nieuwer. En dat komt meer voor. In Gen. 47:11 wordt vermeld dat Jozef zijn vader en broers een stuk grond gaf bij Raämses. En dat was lang vóór de Uittocht.

Avaris was een stad met ongeveer 30.000 inwoners. De bouw van de woningen toont overeenkomsten met woningen uit Noord-Syrië. Er omheen zijn sporen gevonden van kuddes die door herder werden gehouden, iets wat de Egyptenaren niet deden. Deze stad had een soort paleis met 12 pilaren, die van een voorname persoon geweest moet zijn. In de buurt zijn 12 crypten gevonden. Daarbij zit een elegante crypte in de vorm van een kleine pyramide met een ongebruikelijk groot beeld. De huid is geel geverfd, het haar rood, en het beeld heeft een veelkleurig gewaad. Deze crypte bevat geen menselijke resten. De geleerde David Rohl is ervan overtuigd dat het hier gaat om het graf van Jozef.

Een opmerkelijk feit is dat uit deze periode een waterweg stamt die vanuit de Nijl het Fayum-bassin vult. Dit bassin is bedoeld voor irrigatie. De waterweg en het bassin bestaan nog steeds. De waterweg wordt de ‘Waterweg van Jozef’ (Bahr Joesoef) genoemd.

Archeologische opgravingen van Avaris laten nog andere opmerkelijke zaken zien. De bewoners leefden in welvaart, maar opeens is er een periode dat men in armoede leefde en de levensduur veel lager is. In die periode worden opvallend veel graven van pasgeborenen aangetroffen en de graven van volwassenen bevatten veel meer vrouwen dan mannen.

  

De chronologie van de farao’s

Uitgaande van de datering zoals hiervoor weergegeven kunnen we ook nagaan wie de farao van de uittocht moet zijn geweest. Dat moet Amenhotep II geweest zijn. Hij is op 45-jarige leeftijd overleden, en zijn graf is met haast ingericht, wat wijst op een onverwachte dood. Hij werd niet opgevolgd door zijn oudste zoon maar door een jongere zoon, Thoetmoses IV. Ook dat komt overeen met de geschiedenis uit Exodus, waarin wordt aangegeven dat alle eerstgeborenen in het land Egypte stierven bij de tiende plaag.

De pyramide van Amenhotep II staat vlakbij de Waterweg van Jozef.

De farao die Jozef niet gekend had is dan Thoetmoses 1 geweest. Zijn beide zonen stierven al jong en hij benoemde zijn enige dochter Hatsjepoet tot mederegentes. Het moet deze dochter zijn geweest die Mozes gevonden heeft aan de oever van de Nijl.

  

Schriftelijke bronnen

Er zijn een tweetal schriftelijke documenten uit Egypte die voor dit artikel interessant zijn.

De Brooklyn-papyrus bevat een lijst van slaven. Opvallend is dat 70% van de namen Semitisch zijn. Gezien de datering is het goed mogelijk dat hier sprake is van Hebreeuwse slaven.

Een tweede vermeldenswaardige papyrus zijn de ‘Vermaningen van Ipuwer’. Hierin is sprake van water dat bloed wordt, voedseltekorten, talrijke doden en armen en slaven die zich verrijken met goud en sieraden. Het document is niet compleet en moeilijk te dateren, maar op z’n minst erg interessant.

  

Jozef

In Ex. 12:40-41 staat: ‘Vierhonderddertig jaar hadden de Israëlieten in Egypte gewoond; na precies vierhonderddertig jaar – geen dag eerder of later – trok het volk van de HEER, in groepen geordend, uit Egypte weg’. Als we gaan terugrekenen komen we dan uit rond het jaar 1875 v.Chr., de periode dat de hoofdstad van het Egyptische rijk 120 km. ten zuiden van Gosen lag. De tekst uit Genesis geeft echter aan dat Gosen dicht bij de hoofdstad lag (Gen. 45:2,10). Ook krijgen we sterk de indruk dat de zonen van Jakob hun graan kochten direct nadat ze de grens overtrokken. Kortom, alles wijst op een latere periode toen Avaris de hoofdstad was.

Nu heeft de Griekse vertaling van het Oude Testament, de Septuaginta, de toevoeging ‘en in Kanaän’ staan in Ex. 12:40. Dan zou de totale periode vanaf de belofte aan Abraham tot de uittocht 430 jaar geweest moeten zijn en niet uitsluitend de periode van het verblijf in Egypte. Ook Paulus blijkt hiervan uit te gaan: ‘Nu gaf God zijn beloften aan ​Abraham​ en zijn nakomeling. (…) Ik bedoel dit: de wet, die vierhonderddertig jaar na de belofte werd gegeven, maakt het testament dat door God bekrachtigd is niet ongeldig. (…)’ (Gal. 3:16-17). Als we gaan rekenen met de leeftijden die in Genesis vermeld worden, dan is er 215 jaar verstreken tussen de belofte aan Abraham en de komst van Jacob en zijn zonen in Egypte, en is dus nog eens 215 jaar later de uittocht begonnen. De Talmoed, de verzameling Joodse tradities, bevestigt dit (Pirkei Rabbi Elieser, c.48).

Eerder is in dit artikel er al op gewezen dat de vierde generatie na de zonen van Jakob uit Egypte is weggetrokken. Dit komt niet overeen met een periode van 430 jaar, maar wel bij een periode van 215 jaar.

We moeten dus concluderen dat het paleis van Jozef in Avaris heeft gestaan. Dit past goed in de chronologie van Egypte.

De conclusie is dat we de belofte aan Abraham moeten dateren op 1875 v.Chr. Jakob komt in Egypte in 1660 v.Chr., de Uittocht is in 1445 v.Chr. geweest en de verovering van het land Israël is begonnen in 1405 v.Chr.

  

Beschrijving historisch correct

Uit Egyptische bronnen is duidelijk dat er een semitische bevolking heeft geleefd in de oostelijke Nijldelta, het gebied dat door de Bijbel Gosen wordt genoemd, in het tweede millennium v.Chr. De Bijbelse namen Ramses, Pithom, en Yam Suph (Rode Zee, RIetzee) komen overeen met de Egyptische plaatsnamen Pi-Ramesse, Pi-Atum en (Pa-)Tjuf. De letterlijke betekenis van deze laatste naam is papyrusmoeras, en deze wordt gelokaliseerd in de noordoostelijke Nijldelta.

Er zijn grote forten gevonden op de route vanuit Egypte richting Gaza (het land van de Filistijnen) langs de kust. Dit komt overeen met de opmerking dat God het volk de woestijn in leidde richting de Schelfzee om te voorkomen dat het volk berouw zou krijgen wanneer ze met een strijd te maken zouden krijgen (Ex. 13:17).

In de Bijbel wordt de uitdrukking gebruikt dat God Zijn volk met een ‘sterke hand en uitgestrekte arm’ uit Egypte heeft gehaald. Er is een opmerkelijke parallel met teksten over Farao’s uit het laatste deel van het tweede millennium, waarin gesproken wordt over de Farao die handelt met een machtige hand en een uitgestrekte arm. Nergens anders in het Midden-Oosten werd deze uitdrukking gebruikt.

De grootste prestatie van Ramses II was de slag bij Kadesh tegen de Hittieten (1274 v.Chr.), waarbij hij deze aartsrivaal van Egypte wist te verslaan. De beschrijving van de slag bij Kadesh heeft veel verwantschap met de beschrijving van de doortocht door de Rietzee en het lied van Mozes (Ex. 14-15). De tekst van Ramses II vermeldt hoe de troepen van de Farao verrast werden door de wagens van de Hettieten. Dan bidt Ramses II tot Amon: “Vooruit! Ik ben met jou, ik ben je vader, mijn hand is met jou!”. De troepen verlaten de farao, maar Ramses II vecht alleen verder. Dan erkent de vijand dat ze tegen een goddelijke macht vechten, en de vijand slaat op de vlucht: “Eén van hen riep naar zijn medemensen: Kijk uit, pas op, kom niet dichter bij hem! Zie, Sekhmet de Machtige is bij hem!”. In de haast om te vluchten springen de Hettieten in de rivier, waar ze door de Farao worden afgeslacht. En dan vermeldt de tekst: “Niemand keek achter zich, niemand draaide zich om. Wie van hen viel, die stond niet meer op”. De overeenkomsten die we zien met de doortocht door de Rietzee en het lied van Mozes is opvallend. Overigens twijfelen geleerden aan de originaliteit van de tekst van Ramses II, dus het is goed mogelijk dat deze farao zich heeft laat inspireren door oudere teksten. Propaganda was bij dit soort teksten zonder meer veel belangrijker dan nauwkeurige geschiedschrijving.

Er is nog een ander opvallende parallel. Er blijkt een opmerkelijke overeenkomst te zijn tussen de plattegrond van het kamp van de farao Ramses II en de tabernakel. De ontvangstruimte van de Farao en zijn troonkamer komen overeen met respectievelijk het Heilige en het Heilige der Heilige. In de troonkamer wordt de farao geflankeerd door valken die de god Horus symboliseren, zoals de Ark van het Verbond wordt geflankeerd door twee engelen. Rondom dit kamp lagen de vier legerdivisies, zoals de stammen van Israël aan de vier zijden van de tabernakel gelegerd waren. Ook in andere culturen uit het Midden-Oosten komen we vergelijkbare heiligdommen tegen, zoals in Ugarit. De tent voor de god El vertoonde grote verwantschap met de tabernakel. Het Hebreeuwse woord voor tabernakel heeft zelfs grote verwantschap met het Ugaritische woord hiervoor. Ook bij de Hittieten vinden we vergelijkbare heiligdommen.

  

Conclusie

Uiteraard kan in de letterlijke zin van het woord niet bewezen worden dat de Bijbelse beschrijving van de Exodus geschiedkundig correct is. Maar het is zeker niet zo dat op basis van archeologische gegevens geconcludeerd zou moeten worden dat de geschiedenis onjuist is. Integendeel, de gegevens blijken eerder de juistheid te bevestigen.

   

Bas Krins – oktober 2018

    

Belangrijke bronnen:

Joshua Berman; Was there an Exodus?; essay gepubliceerd op 2 maart 2015

Werner Stauder; De tien plagen - ESER HAMAKOT; gepubliceerd in 2013

Studiebijbel van het Centrum voor Bijbelonderzoek

David M. Rohl; Farao’s en de Bijbel

Michael M. Homan; To your tents, o Israel!

Een interessante documentaire is te zien op Netflix: Patterns of Evidence - Exodus