De doop


1.   Inleiding   

Het is een onderwerp waar zeer veel over geschreven is: de doop. En dat is goed te begrijpen. Er lijkt een soort impasse te zijn ontstaan tussen verdedigers van de kinderdoop [i] – die met name te vinden zijn in reformatorische kring [ii] – en de voorstanders van de geloofsdoop. Die laatste vindt men in de evangelische beweging en uiteraard bij de baptisten. In dit laatste geval is de geloofsdoop zo ken­merkend dat de naam van de stroming ervan afgeleid is.

Zowel binnen de reformatorische theologie als de evangelische theologie belijdt men dat de Bijbel van kaft tot kaft het Woord van God is. Verschil van inzicht komt dan ook niet voort uit invloed van moderne liberale theologie, kritische schriftbeschouwingen of andere vormen van relativering van het gezag van de Bijbel. Veel boeken of artikelen over dit onderwerp beginnen dan ook met de opmerking dat men de Bijbel voor zich zelf wil laten spreken. En toch komt men tot verschillende conclusies. Hoe is dat mogelijk?

Ik ben op zoek gegaan naar antwoorden. Waarbij ik heb geprobeerd een uitgangspunt in te nemen dat onafhankelijk is van theologische stromingen. Ik heb theologie gestudeerd op een niet-kerkelijk gebonden universiteit, waarbij ik veel belangstelling heb voor exegetische thema’s. Ik ben van beroep een natuurwetenschappelijk onderzoeker die analytisch en onbevooroordeeld kan redeneren en conclusies trekken. En voel me zowel thuis in bevindelijk-gereformeerde gemeenten als evangelische gemeenten. Onlangs heb ik samen met mijn vrouw de overstap gemaakt van een reformatorische gemeente naar een baptisten gemeente. Dit was voor mij de aanleiding om dit onderwerp weer eens onder de loep te leggen.

Dit artikel begint met de bespreking van de teksten die over de doop handelen. Dat zijn er niet eens zo veel. En dan zal blijken dat zuiver op basis van de uitleg van deze teksten het niet mogelijk is om de knoop door te hakken. Omdat de teksten vaak op verschillende manieren kunnen worden uitgelegd. Typerend is wat ik ergens las: in het Nieuwe Testament vinden we nergens een eenduidig voorbeeld van een kind dat gedoopt wordt, maar evenmin vinden we ergens een voorbeeld van een kind dat in een gelovig gezin opgroeit en bij het volwassen worden zich laat dopen.

Dit betekent dat er ook andere overwegingen in de discussies een rol spelen. Naast de exegetische overwegingen is dat het antwoord op de vraag of de kinderdoop er altijd al geweest is, of dat dit gebruik pas later ontstaan is. Complicatie bij het beantwoorden van deze vraag is dat we erg weinig buitenbijbelse gegevens hebben uit de eerste, tweede en derde eeuw. We zullen de relevante gegevens nagaan.

In de derde plaats wordt de discussie sterk beheerst door theologische thema’s zoals de betekenis van de doop, de erfzonde, de verhouding tussen het Oude Testament en Nieuwe Testament, de betekenis van het verbond, enz. Het blijkt dat de theologie de doorslaggevende rol speelt bij het standpunt dat men inneemt.

In de praktijk is er nog een vierde punt dat op de achtergrond een grote rol speelt, namelijk de kerkelijke traditie. De eeuwen door is er veel discussie geweest over de doop, en in kerkelijke tradities vindt men dat terug. Persoonlijk ben ik van mening dat tradities geen rol mogen spelen bij het innemen van een eigen standpunt, en daarom wordt daar nu niet op ingegaan.

Ik heb een groot aantal teksten en boeken gelezen van voorstanders van de kinderdoop dan wel de geloofsdoop. Daarin worden zowel de relevante Bijbelteksten geëxegetiseerd als een theologische benadering gegeven. Ook heb ik teksten gevonden van mensen die in een evangelische of baptisten­traditie zijn opgegroeid en de kinderdoop verdedigen, en omgekeerd teksten van mensen die in een reformatorische traditie zijn opgegroeid en de geloofsdoop verdedigen. De historische gegevens zijn met name te vinden in teksten van degenen die de kinderdoop verdedigen, hoewel ik ook een boek heb gevonden van mensen die de geloofsdoop verdedigen en dezelfde historische teksten bespreken [iii]. Op deze manier heb ik een zeer goed inzicht gekregen in de argumenten en tegen­argumenten die over en weer worden gebruikt. Ik probeer ze zo neutraal mogelijk te bespreken. Vervolgens probeer ik met een eigen beoordeling van de gegevens te komen.

 

2. Exegese   

2.1 De doop van Johannes (Matt. 3:1-12; Marc. 1:4-8; Luk. 3:1-18; Joh. 1:25-28)   

De doop van Johannes was een doop tot bekering, van reiniging en afwassing van zonden en van vernieuwing van het leven. Als we de Evangeliën lezen dan komt de doop door Johannes redelijk plotseling op. Dit roept sterk de gedachte op dat deze doop een niet geheel onbekend verschijnsel moet zijn geweest, en inderdaad wordt algemeen aangenomen dat de doop door Johannes grote verwantschap heeft met de proselietendoop zoals die gebruikelijk was. Hierover later meer.

De doop was een teken van het belijden van de zonden; een teken dat bekering en geloof nodig zijn om het Koninkrijk van God binnen te kunnen gaan. De bekering moest zichtbaar zijn in een geheiligde levenswandel. Niet de Joodse afkomst, maar daadwerkelijke bekering is nodig.

De doop door Johannes was iets tijdelijks. Het was een aankondiging van het Koninkrijk van God dat door de komst van Jezus aanbreekt, en zal worden afgelost door de doop met de Heilige Geest en vuur (zie ook Hand. 1:5). De doop die Jezus opdroeg is niet alleen een reiniging met water, maar ook een bezieling met de Heilige Geest. In die zin onderscheidt deze doop zich ook nadrukkelijk van de doop van Johannes. We lezen in Handelingen dan ook over christenen die door Johannes zijn gedoopt, en vervolgens opnieuw worden gedoopt in de naam van Jezus (Hand. 19:1-7).

Verdedigers van de volwassendoop stellen soms dat we als christenen het voorbeeld van Jezus moeten volgen en we dus als volwassene door onderdompeling gedoopt moeten worden. Daarmee heeft men geen oog voor het tijdelijke karakter van de doop door Johannes, stellen de tegenstanders. Sterker nog, als men deze redenering consequent doorvoert, dan zouden deze christenen ook de besnijdenis weer moeten invoeren aangezien ook Jezus besneden was.

Ook kan nog opgemerkt worden dat vóór Pinksteren de discipelen van Jezus ook doopten, tegelijkertijd met Johannes (Joh. 3:22-26). Er was dus toen geen onderscheid tussen de doop van Johannes en de doop van de discipelen van Jezus.

Men kan zich afvragen of ook kinderen werden gedoopt door Johannes. Gezien de verbinding met de oproep tot bekering lijkt het niet waarschijnlijk dat ook jonge kinderen gedoopt zijn. Daar staat tegenover dat de proselietendoop – die grote verwantschap heeft met de doop van Johannes - wel ouders met hun (kleine) kinderen betrof.

  

2.2 De doop van Jezus (Matt. 3:13-17; Marc. 1:9-11; Luk. 3:21-22; Joh. 1:29-34)   

Doordat Jezus Zich door Johannes laat dopen, geeft Hij het voorbeeld aan de Israëlieten. Hij laat zien dat door Johannes en Hem Gods beloften in vervulling zullen gaan. De Geest van God daalt dan op Jezus neer, zodat Hij toegerust wordt voor Zijn werk. Maar het is ook een teken van het nieuwe Koninkrijk, waarin God met Zijn Heilige Geest aanwezig zal zijn.

Er wordt nogal eens gesteld dat wij als christenen ook dit voorbeeld van Jezus moeten volgen. Dat is echter niet geheel correct, aangezien deze doop van Johannes – zoals we eerder al hebben gezien – slechts tijdelijk was en sinds Pinksteren opgevolgd is door de doop in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.

  

2.3 Jezus zegent de kinderen (Matt. 19:13-15; Mar.10:13-16; Luc.18:15-17)   

Mensen brengen kinderen tot Jezus om die door Hem te laten zegenen. De discipelen willen dat beletten, maar na een vermanend woord van Jezus tot Zijn discipelen, zegent Hij de kinderen. Het Griekse woord dat Mattheüs gebruikt duidt op kleine kinderen, jonger dan 7 jaar. Lukas spreekt zelfs over zuigelingen.

Deze tekst laat zien dat de kleine kinderen er helemaal bij horen in het Koninkrijk van God. Om die reden verwijzen de verdedigers van de kinderdoop naar deze tekst, hoewel deze tekst geen enkele relatie heeft met de doop, zoals tegenstanders van de kinderdoop dan weer beklemtonen.

  

2.4 Zendingsbevel (Matt. 28:19; Mark. 16:15-16)   

Kort voor de Hemelvaart geeft Jezus aan Zijn discipelen deze opdracht: ‘Gaat dan heen, maakt alle volken tot mijn discipelen en doopt hen in de naam van de Vaders en van de Zoon en van de Heilige Geest’. Deze tekst is veel besproken, omdat het een volgorde lijkt te geven: eerst tot discipel maken en dan dopen. Grammaticaal gezien kan dit uit deze tekst in het Grieks echter niet afgeleid worden. Daarnaast is het vanwege de zendingssituatie natuurlijk vanzelfsprekend dat eerst het Evangelie ver­kondigd moet worden alvorens de heidenen tot wie het Evangelie verkondigd wordt gedoopt zullen worden. Hetzelfde geldt voor de parallelle tekst uit Markus: ‘Gaat heen in de gehele wereld, verkondigt het evangelie aan de ganse schepping. Wie gelooft en zich laat dopen, zal behouden worden, maar wie niet gelooft, zal veroordeeld worden’.

  

2.5 Pinksteren   

In de toespraak van Petrus tijdens het Pinksterfeest komen we de volgende uitspraak tegen: ‘Want voor u is de belofte en voor uw kinderen en voor allen die verre zijn, zovelen als de Heer, onze God, ertoe roepen zal’ (Hand. 2:39). Dit kan gelezen worden als een bevestiging van het gezinsdenken, waarin kinderen bij het volk van het verbond horen. Anderen stellen dat Petrus hier doelt op de komende geslachten en niet op degenen die op dat moment kind waren. Verder wordt erop gewezen dat het hier niet gaat over de doop maar de gave van de Heilige Geest. Echter, daar staat tegenover dat als deze belofte van de Heilige Geest ook voor kinderen zou gelden, het moeilijk is om uit te leggen dat ze niet gedoopt zouden mogen worden.

  

2.6 Na Pinksteren   

Als het Evangelie zich verspreidt zijn er velen die tot geloof komen en zich vervolgens laten dopen. Zo lezen we bijvoorbeeld: ‘Toen zij echter geloof schonken aan Filippus, die het evangelie van het Koninkrijk Gods en van de naam van Jezus Christus predikte, lieten zij zich dopen, zowel mannen als vrouwen’ (Hand. 8:12).

Veel besproken zijn de zogenaamde ‘huisteksten’. Heidenen komen tot geloof en laten zich dopen, met hun ‘huis’. Betekent dit dat ook kleine kinderen gedoopt werden, of kan deze conclusie niet ge­trokken worden? Het gaat om de volgende teksten:

- Hand. 10:46-48 en Hand. 11:14: Cornelius en zijn gehele huis werden gedoopt. Romeinse soldaten mochten niet trouwen, dus het is niet waarschijnlijk dat Cornelius kinderen had. De reden voor Petrus om te dopen, is het feit dat hij ziet dat de Heilige Geest ook op deze mensen is gevallen. Het is de vraag of dat ook voor kinderen gezegd kan worden.

- Hand. 16:15: Lydia en haar gehele huis werden gedoopt. Omdat hier niet gesproken wordt over het huis van de man van Lydia, maar het huis van Lydia zijn er uitleggers die ervan uitgaan dat ze niet getrouwd was.

- Hand. 16:30-34: De gevangenbewaarder in Filippi en al de zijnen werden gedoopt. In Hand. 16:34 staat dat hij zich verheugde dat hij met zijn gehele huis tot geloof gekomen was. Dit kan betekenen dat het alleen volwassenen betreft, omdat niet van kinderen gezegd kan worden dat zij tot geloof gekomen zijn. Daar staat dan weer tegenover dat de gevangenbewaarder vraagt: wat moet ik doen om be­houden te worden, en het antwoord dan luidt: Stel uw vertrouwen op de Here Jezus, en gij zult behouden worden, gij en uw huis.

- 1 Kor. 1:16: Paulus heeft het gezin van Stefanus gedoopt.

In al deze teksten wordt het woord ‘huis’ gebruikt, en daar horen – indien aanwezig – kinderen ook bij. Verdedigers van de kinderdoop wijzen erop dat alleen al het gebruik van dit woord ‘huis’ erop wijst dat net als in het Oude Testament men in de tijd van het Nieuwe Testament denkt in termen van gezinnen die zich aansluiten bij het verbond van God.

  

2.7 Paulus en Petrus   

Er zijn een aantal teksten van Paulus en Petrus die handelen over de doop.

In Rom. 6 wordt een vergelijking gemaakt van de doop, begrafenis en opstanding van Jezus Christus en de doop van gelovigen: ‘Of weet gij niet, dat wij allen, die in Christus Jezus gedoopt zijn, in zijn dood gedoopt zijn? Wij zijn dan met Hem begraven door de doop in de dood, opdat, gelijk Christus uit de doden opgewekt is door de majesteit des Vaders, zo ook wij in nieuwheid des levens zouden wandelen’ (Rom. 6:3-4). De doop is dus beeld van de verbondenheid van de gelovige met het heilswerk van Jezus Christus.

1 Kor. 7:14 is een tekst die veel besproken is in relatie met de doop, ook al handelt deze tekst daar feitelijk niet over. De tekst gaat over een huwelijk waarin één van de twee partners tot geloof gekomen is. Dat is voor Paulus geen reden voor echtscheiding, want de ongelovige man is geheiligd in zijn gelovige vrouw en de ongelovige vrouw is geheiligd in de gelovige man. De ongelovige krijgt dus deel aan de heiligheid van de gelovige. Hiermee is niet gezegd dat de ongelovige echtgenoot dus ook behouden is. Daarvoor is een persoonlijk geloof nodig. Maar wel is God op een bijzondere manier met hen bezig, niet in de laatste plaats doordat hun echtgenoot gelovig geworden is. Volgens de Korinthiërs zou een huwelijk met een ongelovige het huwelijk ontheiligen. Dat ontkent Paulus. En daarbij gebruikt hij als argument: ‘Anders zouden immers uw kinderen onrein zijn, doch nu zijn zij heilig’. Met andere woorden: als één van de ouders een gelovige is, dan zijn de kinderen heilig. Heiligheid is kennelijk in zekere zin over­draagbaar. Kinderen van een gelovige ouder zijn niet onrein. Dit betekent dat er geen reden is om deze kinderen te dopen, volgens verdedigers van de geloofsdoop. Immers wie niet onrein is hoeft niet gereinigd te worden door de doop. In deze redenering wordt ‘onrein’ op één lijn gezet met ‘zonder zonde’, en het is sterk de vraag of dat Bijbels verantwoord is. Maar evengoed kan deze tekst worden gelezen als een bevestiging van de kinderdoop, aangezien deze tekst leert dat de kinderen geheiligd zijn in hun ouders.

In 1 Kor. 10:1-4 lezen we: ‘Want ik stel er prijs op, broeders, dat gij weet, dat onze vaderen allen onder de wolk waren, allen door de zee heengingen, allen zich in Mozes lieten dopen in de wolk en in de zee, allen hetzelfde geestelijke voedsel aten, en allen dezelfde geestelijke drank dronken, want zij dronken uit een geestelijke rots, welke met hen medeging, en die rots was de Christus’. Hier wordt een parallel getrokken. Het volk deelde in de genade van God tijdens de uittocht uit Egypte. Toch mochten ze door hun ontrouw het land niet in. Zo moeten ook de Korinthiërs die gedoopt zijn en de gave van de Heilige Geest hebben ontvangen niet denken dat ze onbestraft zullen blijven als ze hun leven niet heiligen. Interessant punt is dat hier verwezen wordt naar de nieuwtestamentische doop met een collectief beeld uit het Oude Testament. Mozes wordt hier nadrukkelijk gezien als vertegenwoordiger van het hele volk.

1 Kor. 12:13 zegt: ‘want door één Geest zijn wij allen tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij slaven, hetzij vrijen, en allen zijn wij met één Geest gedrenkt’. Deze tekst wordt gebruikt om aan te geven dat er slechts één doop is, en niet een zuigelingendoop voor kinderen van gelovigen en een geloofsdoop voor heidenen die tot bekering komen. Het is echter de vraag of dit een correcte toepassing is van deze tekst. Daarnaast moeten we ons realiseren dat strikt genomen deze tekst over de doop met de Heilige Geest en niet over de waterdoop spreekt. Over de relatie tussen de waterdoop en de doop met de Heilige Geest valt nog het nodige te zeggen, maar dat voert nu te ver.

Je wordt deel van het lichaam van Christus door de doop volgens deze tekst. Dit kan zowel pleiten voor de kinderdoop (door de doop wordt bevestigd dat kinderen van gelovigen bij het lichaam van Christus horen), als van de geloofsdoop (door de doop op basis van het geloof wordt je deel van het lichaam van Christus).

In Gal. 3:27 staat: ‘Want gij allen, die in Christus gedoopt zijt, hebt u met Christus bekleed’. Het zich bekleden met Christus is een actieve daad, die men niet van kinderen mag verwachten, volgens de verdedigers van de geloofsdoop.

In 1 Petr. spreekt Petrus over de ark waarin 8 mensen gered werden door het water heen. En dan vervolgt hij: ‘Als tegenbeeld daarvan redt u thans de doop, die niet is een afleggen van lichamelijke onreinheid, maar een bede van een goed geweten tot God, door de opstanding van Jezus Christus (…)’ (1 Petr. 3:21). De doop is dus geen uiterlijke reiniging maar een innerlijke verandering, waardoor wij een goed geweten hebben. Het afleggen van lichamelijke onreinheid is een actieve daad. Dit kan men niet van jonge kinderen verwachten. Anderen wijzen er op dat in het voorbeeld van Noach opnieuw duidelijk wordt hoezeer gedacht wordt aan het collectieve van het gezin, aangezien de vrouw en kinderen van Noach deelden in de redding van Noach.

De tekst uit Petrus bevat ook een mooie verwijzing naar de Joodse tradities rondom de mikva. Voordat men in een mikva met levend water ging om ritueel gereinigd te worden, moest men eerst in een bad worden gereinigd van uitwendig vuil.

Door verdedigers van de geloofsdoop wordt erop gewezen dat er diverse teksten zijn waarin de doop wordt verbonden met een veranderd leven: Rom. 6:3v. (nieuwheid des levens); Gal. 3:27 (Christus aangedaan); Kol. 2:12 (met Christus opgewekt); 1 Petr. 3:21 (een bede voor God van een goed geweten). Van jonge kinderen kan niet gezegd worden dat ze een veranderd leven hebben. Hier stellen verdedigers van de kinderdoop weer tegenover dat we ons moeten realiseren dat in die tijd (vrijwel) alle christenen die gedoopt werden bekeerde heidenen of Joden waren.

  

2.8 Doop in plaats van besnijdenis?   

Een aantal verdedigers van de kinderdoop stellen dat de doop in plaats van de besnijdenis is gekomen. Hierbij wordt met name gewezen op Kol. 2:11-12 ‘In Hem zijt gij ook met een besnijdenis, die geen werk van mensenhanden is, besneden door het afleggen van het lichaam des vlezes, in de besnijdenis van Christus, daar gij met Hem begraven zijt in de doop. In Hem zijt gij ook mede opgewekt door het geloof aan de werking Gods, die Hem uit de doden heeft opgewekt’. Het gaat hier echter niet om een tegenstelling tussen doop en besnijdenis, maar om de tegenstelling tussen de besnijdenis die het werk van mensenhanden is en de besnijdenis door het afleggen van het oude lichaam. Deze besnijdenis van Christus betekent dat we met Hem zijn begraven (waarvan de doop het beeld is) en opgewekt door de kwijtschelding van onze overtredingen.

Voor de volledigheid moet vermeld worden dat ook veel verdedigers van de kinderdoop het argument dat de doop in plaats van de besnijdenis is gekomen, niet gebruiken [iv].

  

2.9 Betekenis van het woord ‘dopen’ (baptizein)   

Er is discussie over het antwoord op de vraag of het Griekse woord voor dopen per definitie wijst op een volledige onderdompeling. Of is ook besprenkelen met water mogelijk? Als we het woordenboek erop naslaan, dan blijkt dit woord verschillende betekenissen hebben. Het wordt onder andere gebruikt voor rituele reiniging volgens de Joodse traditie zoals het ‘onderdompelen van bekers, kannen en koperwerk’ (Marc. 7:4) en het zichzelf wassen voor het eten waarbij geen volledige onderdompeling plaats heeft (Luk. 11:38). Vervolgens wordt dit woord gebruikt voor de doop van Johannes en de doop van Jezus. En tot slot in overdrachtelijke zin zoals over de doortocht door de Rietzee (1 Kor. 10:2), de redding van Noach in de Ark (1 Petr. 3:21; hier wordt het zelfstandig naamwoord gebruikt) en de dood van Jezus (Marc. 10:38; Luc. 12:50).

Sommige uitleggers stellen dat het oudtestamentische begrip ‘dopen’ – dat ook iets anders kan zijn dan volledige onderdompeling – in het Nieuwe Testament een nieuwe betekenis heeft gekregen en nog uitsluitend doelt op volledige onderdompeling. Echter, zoals we reeds gezien hebben wordt dit woord ook in het Nieuwe Testament gebruikt voor rituele wassingen die geen volledige onder­dompeling inhouden en in overdrachtelijke betekenis.

Nadat Jezus gedoopt is lezen we dat Hij uit het water opsteeg. Dit kan gelezen worden als een bevestiging van het feit dat de doop door onderdompeling plaatsgevonden heeft. Anderen stellen dat dit geen bewijs is dat er een volledige onderdompeling heeft plaatsgevonden, en dat het nog maar de vraag is of dat mogelijk was aangezien het waterpeil in de Jordaan grote delen van het jaar onvoldoende was voor volledige onderdompeling.

Er is nog een ander argument. Degenen die betogen dat Johannes doopte door volledige onder­dompeling zien gewoonlijk deze doop in het verlengde van de proselietendoop. Deze doop vond inderdaad plaats door volledige onderdompeling, maar ook volledig naakt. En dat laatste is moeilijk voor te stellen in de Oosterse cultuur buiten bij de Jordaan waar mannen en vrouwen door elkaar heen liepen.

Ook wordt gewezen op de volgende tekst: ‘Doch ook Johannes doopte, te Enon bij Salim, omdat daar veel water was' (Joh. 3:23). Dit kan wijzen op de gewoonte om te dopen met volledige onder­dompeling. Maar het is de vraag of dit klopt. In het Grieks staat niet ‘veel water’, maar: ‘vele wateren’. De naam van de plaats betekent dan ook letterlijk ‘vol bronnen’.

Volgens Paulus wil de doop zeggen dat je met Christus wordt begraven en met Hem opstaat (Rom. 6:1-14). Dit is moeilijk te combineren met een doop die geen volledige onderdompeling is.

Als de doop wordt gezien als een teken van reiniging, dan ligt het voor de hand om ook besprenkeling met water als alternatief voor de onderdompeling te beschouwen. In het Oude Testament vindt reiniging immers ook door besprenkeling plaats (Jes. 52:15; Ez. 36:25 e.v.).

Ik kwam nog ergens een interessante gedachte tegen. Volgens Joodse tradities moest gedoopt worden in levend water. Bij voorkeur in een stromende rivier, maar anders in een bad dat gevuld was met water uit een rivier of regenwater. Het overgieten van een dopeling met water beeldt de gedachte van levend water misschien wel beter uit dan een bad gevuld met kraanwater.

  

3. Historische gegevens   

3.1 De proselietendoop   

Als heidenen wilden toetreden tot het Joodse volk werden zij gedoopt, inclusief de kinderen. Eerst werden de kinderen gedoopt, daarna de volwassenen. De mannen werden voorafgaand aan de doop besneden. Kinderen die na de overstap werden geboren, werden niet gedoopt. Ze behoorden immers tot het volk Israël. Als de vrouw bij de doop zwanger was dan hoeft dat kind bij de geboorte ook niet gedoopt te worden.

Rond 215 schrijft Hippolytus (in De Apostolische traditie) het volgende over de doop: ‘De dopelingen moeten zich uitkleden en eerst moet men dan de kinderen dopen. Als zij zelf kunnen antwoorden, moeten zij antwoorden. Als zij het niet kunnen, moeten hun ouders antwoorden of een familielid. Vervolgens moet men de volwassen mannen dopen en tenslotte de vrouwen, nadat zij hun haren hebben losgemaakt en hun gouden sieraden hebben afgelegd’. Deze procedure heeft grote overeen­komst met de proselietendoop. Daarvoor moesten vrouwen ook de haren losmaken en hun sieraden afleggen.

Het Joodse rituele bad dat gebruikt werd voor het dopen wordt een ‘mikva’ genoemd. Reiniging in een mikva was noodzakelijk bij het inwijden en reinigen van een priester, voor vrouwen na hun maandelijkse periode en voor heidenen die Jood wilden worden. Er waren in Jeruzalem vanwege de tempel­dienst zeer veel mikvaot (meervoud van mikva) aanwezig, immers elke Jood die een offer in de tempel wilde brengen moest eerst gereinigd worden in een mikva. Dit verklaart ook hoe het mogelijk was dat na de toespraak van Petrus met Pinksteren duizenden mensen zich lieten dopen. Daar gebruikten ze ongetwijfeld mikvaot voor.

Diverse uitleggers stellen dat de mikva niet in het Oude Testament voorkomt, en dit verschijnsel dus niet relevant is voor de theologie van de doop. Het is maar de vraag of dit niet te kort door de bocht is [v]. Rituele reiniging door water komt zeker wel voor in het Oude Testament. Jacob moet zich met zijn gezin wassen voordat hij een altaar in Bethel maakt (Gen. 35:2). Voordat God op de Sinaï verschijnt moet het volk hun lichaam en hun kleding wassen (Ex. 19:10). In Leviticus vinden we veel teksten over rituele reiniging door water. En de profeten verwijzen eveneens hiernaar. Zo lezen we in Jer. 2:22 ‘Ja, al zoudt gij u wassen met loog en veel zeep gebruiken, dan blijft toch uw ongerechtigheid als een onuitwisbare vlek voor mijn oog, luidt het woord van de Here Here’. Deze rituele reiniging was duidelijk verbonden met de vergeving van zonden (zie ook bijv. Jes. 1:16; 4:4; Ez. 36:25). Toch moeten we wel zorgvuldig lezen. In veel gevallen gaat het om een rituele besprenkeling of indopen, en een volledige onderdompeling van personen komen we niet eenduidig tegen. Met mogelijk één uitzondering, namelijk Naäman die zichzelf zevenmaal doopt in de Jordaan als hij genezen is van de melaatsheid.

Vanuit de Rabbijnse literatuur weten we dat er een reeks aan voorschriften waren met betrekking tot de reinigingsprocedure in een ritueel bad, de mikva. De mikva was zo belangrijk dat als er zich ergens een nieuwe gemeenschap van Joden vestigden, men eerder een mikva bouwde dan een synagoge. De rituele reiniging moest plaatsvinden in ‘levend water’. Dat is water uit een bron, rivier of de zee. Dit betekent dat op een gegeven moment in de Joodse traditie diverse wetten uit de Thora over reiniging van personen zo werden uitgelegd dat ze door volledige onderdompeling moesten plaatsvinden. Ook het reinigen van de heilige voorwerpen zoals we dat volledig uitgewerkt tegenkomen in de Joodse traditie, heeft zijn oorsprong in de Thora (Lev. 11:32). Het is niet duidelijk hoever de volledige onder­dompeling van personen in de tijd teruggaat. Voorstanders van doop door volledige onderdompeling hebben de neiging om overal waar sprake is van een rituele reiniging door water, een volledige onder­dompeling te zien. Tegenstanders stellen dat de mikva een late Rabbijnse traditie is die in het Oude Testament zelf niet te vinden is, en dat de volledige onderdompeling niet of nauwelijks in het Oude Testament voorkomt.

Er is nog een opvallend argument dat volledige onderdompeling wellicht toch relatief oud is. Het grote wasvat in de tempel had een diameter van ongeveer 4½ meter en een diepte van 2¼ meter. De inhoud was 44.000 liter (1 Kon. 7:23-26; 2 Kron. 4:1-6). Dit suggereert sterk dat de rituele reiniging door de priesters ook een volledige onderdompeling betekende, omdat het anders weinig zin heeft het vat zo groot te maken.

Voor onze studie is het van belang om op te merken dat als er van rituele onderdompeling sprake is in de Rabbijnse tradities, degene die gereinigd moet worden altijd zelf onder water gaat, zonder hulp van anderen [vi]. Wel moesten er getuigen bij zijn. Dus als Johannes doopt, dan gaan de dopelingen zelf onder water terwijl Johannes getuige is. Een afbeelding van de doop van Jezus in de catacomben van Rome uit de tweede eeuw laat zien hoe Johannes aan de rand van het water staat en zijn handen uitstrekt naar Jezus die Zichzelf heeft gedoopt. Het gebruik dat we uit de praktijk van veel evangelische christenen en baptisten kennen, namelijk dat één of twee mensen de dopeling onder water houden, heeft geen Bijbelse basis. Ook in de oude kerk ging de dopeling zelf onder water, geheel naakt. Als de dopeling dan weer uit het water omhoog kwam, kreeg hij witte kleren aangereikt.

Tot slot nog even een punt ter overweging met betrekking tot de vraag naar de relevantie van de Rabbijnse tradities. Tot ongeveer het jaar 100 was er nog geen scheiding tussen de Joden aan de ene kant en de Messiasbelijdende Joden en de christenen uit de heidenen aan de andere kant. De Messias­belijdende Joden hielden zich aan de Joodse regels, en de christenen uit de heidenen werd gevraagd zich te houden aan dezelfde regels als de proselieten – de zogenaamde noachitische geboden [vii] - om ervoor te zorgen dat het samenleven met de Joden niet belemmerd werd. Alle Bijbelboeken zijn geschreven voor het jaar 100. Het is dus erg onwaarschijnlijk dat we bij het nadenken over de doop de Rabbijnse tradities over de rituele reiniging volledig kunnen negeren.

  

3.2 Oude getuigen   

Zoals eerder al gezegd is het aantal teksten over de doop uit de eerste eeuwen erg beperkt. Er is geen tekst van vóór het jaar 200 waarin expliciet de kinderdoop wordt vermeld. Maar het is een drogreden [viii] om hieraan de conclusie te verbinden dat er ook geen kinderdoop was. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat de kinderdoop zo vanzelfsprekend was dat het daarom niet vermeld is.

Er is een tekst van Origenes uit ± 200 waarin hij stelt dat de kinderdoop een overlevering is van de apostelen (Ep. Ad Rom. 5:9). Door voorstanders van de geloofsdoop wordt betoogd dat Origenes liegt, en alleen zich beroept op de apostelen om zijn gezag te vergroten. Verder wordt beweerd dat in de tijd van Origenes men begonnen is met de doop van zeer jonge kinderen, maar de algemene praktijk nog steeds de geloofsdoop was. Ook Cyprianus, een bisschop uit de derde eeuw stelt (in brief 72) dat de apostelen de kinderdoop een lering van de apostelen was.

Hiervoor is reeds gewezen op een tekst van Hippolytus waarin gesproken wordt over de doop van kinderen. Voorstanders van de geloofsdoop beweren dat deze opmerking een toevoeging moet zijn uit de 4 de eeuw, zonder dat hier een verdere onderbouwing voor wordt gegeven, omdat de doop van kinderen pas in de 4 de eeuw zou zijn ontstaan [ix].

Op de Synode van Carthago rond het jaar 250 wordt de kinderdoop als regel beschouwd [x], maar er waren ook tegenstanders zoals Tertullianus. Met name deze weerstand van Tertullianus wordt breed uitgemeten door tegenstanders van de kinderdoop. Ten onrechte, want uit de weerstand van Tertullianus blijkt dat toen in Noord-Afrika – waar de opmerkingen betrekking op heeft – de kinder­doop algemeen toegepast werd. Bovendien spreekt hij in deze tekst specifiek over de doop van kinderen die meekwamen als hun heidense ouders tot de kerk toetraden. Kennelijk was het de gewoonte dat dan peetouders de verantwoordelijkheid voor de christelijke opvoeding van deze kinderen instonden, en Tertullianus vindt dat zij daarmee een té grote verantwoordelijkheid nemen. Als Tertullianus enkele jaren later bij een bespreking van 1 Kor. 7 opnieuw over de doop schrijft, lijkt hij positief over de kinderdoop te zijn, hoewel er ook mensen zijn die deze tekst van Tertullianus anders lezen en stellen dat hij hier helemaal niet over de doop spreekt.

Interessant is om te vermelden dat volgens de Didachè (± 100 n.Chr.) het mogelijk is om i.p.v. te dopen in stromend water drie maal te overgieten over het hoofd in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest: ‘U moet als volgt dopen. Nadat u al het bovenstaande hebt gezegd, doop in de naam van de Vader en de Zoon en van de Heilige Geest met stromend water. Indien u geen stromend water hebt, doop dan met ander water. Indien het niet mogelijk is met koud water, dan met warm. Indien u geen van beide ter beschikking hebt, giet dan drie maal water over het hoofd in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest’.

Omstreeks 112 schrijft Plinius, stadhouder van Bithynië onder Trajanus, een brief aan de keizer. Hij vraagt daarin om advies met betrekking tot de wijze waarop hij de christenen moet vervolgen. In deze brief schrijft hij dat ook de kleinste kinderen tot de gemeente werden gerekend. Dat zou erop kunnen wijzen dat ze dus gedoopt waren.

Diverse auteurs wijzen erop dat grafschriften van vroeg gestorven kinderen ons leren dat zij door hun christelijke ouders als gelovig werden beschouwd. Dit zou erop kunnen wijzen dat ze ook gedoopt waren, omdat in het taalgebruik van die tijd alleen gedoopten als gelovigen werden bestempeld. Omstreeks 120 beschreef Aristides een begrafenis van een kindje. Hij prees God omdat het kindje ‘zondeloos heenging’. Het is niet waarschijnlijk dat hier bedoeld is dat het kindje in onschuld geboren is. Het ligt meer voor de hand om te denken aan het feit dat het kindje gedoopt is.

Door verdedigers van de kinderdoop worden nog andere voorbeelden genoemd. Omstreeks het jaar 160 wordt Polycarpus op 86-jarige leeftijd voor de keus gesteld Christus te smaden of de marteldood te sterven. Hij spreekt dan de woorden: ‘Zesentachtig jaar dien ik Hem en in niets heeft Hij mij kwaad gedaan. Hoe kan ik dan mijn Koning, Die mij gered heeft, lasteren?’. Er zijn mensen die zeggen dat Polycarpus hier verwijst naar zijn zuigelingendoop.

Rond 180 schrijft Irenaüs in één van zijn geschriften over de gemeente in Lyon dat ‘zuigelingen, kleine kinderen, jongelingen en ouderen door Christus worden wedergeboren tot God’. Gezien het verband van de tekst is er alle reden om aan te nemen dat hij het hier over de doop heeft, wordt gesteld.

Als we het geheel overzien, dan zijn niet alle teksten even duidelijk. Toch kan men moeilijk ontkennen dat ook kinderen in de eerste eeuwen gedoopt werden. Verschillende auteurs die de geloofsdoop verdedigen ontkennen dit dan ook niet, maar houden uiteraard wel vol dat dit niet Bijbels is.

Voor de volledigheid moet hier vermeld worden dat er naast de hierboven beschreven passages de nodige beschrijvingen zijn van de geloofsdoop in de oude literatuur. Er is geen enkele twijfel dat deze werd toegepast door de vroege christenen, en zelfs de meest toegepaste vorm was. De vraag is of als heidenen tot geloof kwamen hun kinderen ook gedoopt werden. En de vraag is wat er gebeurde met kinderen van gelovige ouders: werden die als kind gedoopt of pas later nadat ze openlijk tot geloof gekomen waren? Het probleem is dat het christendom in de periode waarover we hier spreken zo snel groeide, dat we ervan uit moeten gaan dat het grootste deel van de mensen (of alle mensen?) die de geloofsdoop ontvingen uit het heidendom afkomstig waren.

In eerste instantie werd de doop vooral als een symbool gezien van de relatie met Jezus. Maar in de 3 de en 4 de eeuw verschoof dit. Toen kreeg de doop een performatieve functie; door de doop werd daadwerkelijk vergeving van zonden bewerkstelligd en toegang tot de hemel gegarandeerd. In combinatie met de uitgewerkte leer van de erfzonde leidde dat tot de doop van zuigelingen waarbij de doop de erfzonde moest wegwassen, met name onder invloed van de theologie van Augustinus. Anderzijds waren er ook die de doop zo laat mogelijk – kort voor het overlijden – toepasten zodat men zonder zonde de hemel zou ingaan. Sterker nog, men ging – ten onrechte – ervan uit dat men tot de doop het niet zo nauw hoefde te nemen met de christelijke levensstijl, en stelde om die reden de doop zo lang mogelijk uit [xi]. Deze performatieve functie van de doop wordt tegenwoordig noch door de voorstanders van de kinderdoop noch door de voorstanders van de geloofsdoop verdedigd [xii].

  

3.3 Kinderen aan het Avondmaal   

Een punt van aandacht, waar de meeste literatuur over de doop aan voorbij gaat, is de viering van het Avondmaal. Op basis van teksten over de zondagse vieringen in de oude kerk gaat men ervan uit dat ook kinderen gewoon meededen met de viering van het Avondmaal [xiii]. Het Avondmaal is de vervulling van de viering van het Pesachmaal. Aan het Pesachmaal deden ook de kinderen van het gezin mee. Ook om die reden is het dus voor-de-hand liggend dat kinderen het Avondmaal meevierden. Het ligt voor de hand om ervan uit te gaan dat deze kinderen gedoopt waren. In de derde eeuw kregen de zuigelingen die gedoopt waren ook wijn bij het Avondmaal.

Veel later werd het sacrament van het vormsel op het 7de levensjaar ingevoerd. Nadat dit sacrament werd toegediend mocht men deelnemen aan het Avondmaal. In de tijd van de Reformatie nam men afstand van dit sacrament, waarvoor geen Bijbelse basis is, en begint men met catechese en belijdenis doen. De openbare geloofsbelijdenis gaf toestemming tot het vieren van het Avondmaal. Het is opvallend dat nu in diverse reformatorische kerken de discussie plaatsvindt of ook kinderen aan het Avondmaal mogen deelnemen.

Of heidenen pas meededen met het vieren van het Avondmaal nadat ze gedoopt waren is niet duidelijk. In de derde eeuw was dat zeker wel zo, maar of dat altijd zo geweest is weten we niet. De neiging om de doop zo lang mogelijk uit te stellen – zoals genoemd in de vorige paragraaf – leidde er op een gegeven moment zelfs toe dat het Avondmaal sterk verwaarloosd werd, aangezien er (vrijwel) geen mensen meer waren die eraan deel mochten nemen.

Dat kinderen van gelovige ouders pas aan het Avondmaal deelnemen nadat ze als volwassene gedoopt zijn – zoals nu gebruikelijk is in evangelische en baptisten gemeenten – is zeker niet de praktijk in de eerste eeuwen geweest.

Verder valt op dat geen van de teksten die handelen over de doop een relatie tussen de waterdoop en de viering van het Heilig Avondmaal aangeven. De gedachte dat de geloofsdoop of de openbare geloofsbelijdenis een autorisatie is voor de viering van het Heilig Avondmaal is een gedachte die geen Bijbelse basis heeft. In dit verband wordt nogal eens gewezen op de tekst van Paulus in 1 Kor. 11:29 'Want wie eet en drinkt, eet en drinkt tot zijn eigen oordeel, als hij het lichaam niet onderscheidt'. Deze tekst handelt echter over misbruik van het Heilig Avondmaal, niet over mensen die nog niet volwassen zijn.

  

4. Theologische overwegingen   

4.1 Erfzonde   

Een deel van de theologen die de kinderdoop bestrijden beweren dat het dopen van kinderen geen zin heeft, omdat kinderen nog geen zonden gedaan hebben. Deze theologen ontkennen dus de erfzonde. De tekst van Paulus in 1 Kor. 7:14 dat de kinderen van gelovige ouders in hun ouders geheiligd zijn wordt zo uitgelegd dat de kans dat deze kinderen op latere leeftijd tot geloof komen groter is dan kinderen die in een niet-christelijk gezin opgroeien. Maar dit wil niet zeggen dat kinderen uit een niet-christelijk gezin verloren gaan als ze jong overlijden.

Een volledig uitgewerkt dogma over de erfzonde vindt men pas in de vierde eeuw. Maar dat is niets bijzonders; alle dogmata zijn pas in de loop van de kerkgeschiedenis ontstaan. De vraag is of de Bijbel leert dat kinderen ‘in zonden worden ontvangen en geboren’, om een tekst uit het reformatorisch doopformulier te citeren.

Gewezen kan worden op een aantal teksten uit de brief van Paulus aan de Romeinen:

Rom. 3: 21-26 ‘Thans is echter buiten de wet om gerechtigheid Gods openbaar geworden, waarvan de wet en de profeten getuigen, en wel gerechtigheid Gods door het geloof in [Jezus] Christus, voor allen, die geloven; want er is geen onderscheid. Want allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods, en worden om niet gerechtvaardigd uit zijn genade, door de verlossing in Christus Jezus. Hem heeft God voorgesteld als zoenmiddel door het geloof, in zijn bloed, om zijn rechtvaardigheid te tonen, daar Hij de zonden, die tevoren onder de verdraagzaamheid Gods gepleegd waren, had laten geworden – om zijn rechtvaardigheid te tonen, in de tegenwoordige tijd, zodat Hijzelf rechtvaardig is, ook als Hij hem rechtvaardigt, die uit het geloof in Jezus is’.

Rom. 5: 12-21 ‘Daarom, gelijk door één mens de zonde de wereld is binnengekomen en door de zonde de dood, zo is ook de dood tot alle mensen doorgegaan, omdat allen gezondigd hebben;  want reeds vóór de wet was er zonde in de wereld. Maar zonde wordt niet toegerekend, als er geen wet is. Toch heeft de dood als koning geheerst van Adam tot Mozes, ook over hen, die niet gezondigd hadden op een gelijke wijze als Adam overtrad, die een beeld is van de komende. Maar het is met de genadegave niet zo als met de overtreding; want, indien door de overtreding van die ene zeer velen gestorven zijn, veel meer is de genade Gods en de gave, bestaande in de genade van de ene mens, Jezus Christus, voor zeer velen overvloedig geworden. En het is met het geschenk niet zo als door het zondigen van één; want het oordeel leidde van één overtreding tot veroordeling, maar de genadegave van vele overtredingen tot rechtvaardiging. Want, indien door de overtreding van de ene de dood als koning is gaan heersen door die ene, veel meer zullen zij, die de overvloed van genade en van de gave der gerechtigheid ontvangen, leven en als koningen heersen door de ene, Jezus Christus. Derhalve, gelijk het door één daad van overtreding voor alle mensen tot veroordeling gekomen is, zo komt het ook door één daad van gerechtigheid voor alle mensen tot rechtvaardiging ten leven. Want, gelijk door de ongehoorzaamheid van één mens zeer velen zondaren geworden zijn, zo zullen ook door de gehoorzaamheid van één zeer velen rechtvaardigen worden. Maar de wet is er bijgekomen, zodat de overtreding toenam; waar evenwel de zonde toenam, is de genade meer dan overvloedig geworden, opdat, gelijk de zonde als koning heerste in de dood, zo ook de genade zou heersen door rechtvaardigheid ten eeuwigen leven door Jezus Christus, onze Here’.

In dit verband kan ook gewezen worden op Ps. 51:7 waar David zegt: ‘Zie, in ongerechtigheid ben ik geboren, in zonde heeft mijn moeder mij ontvangen’.

De Bijbel leert mijns inziens duidelijk dat de zonde al vanaf onze geboorte in ons zit. Aan de andere kant moet ook opgemerkt worden dat deze ‘erfzonde’ nergens in verband wordt gebracht met de doop. Dat is iets dat pas later in de kerkgeschiedenis het geval is.

  

4.2 Verbond   

In het Oude Testament wordt sterk gedacht vanuit het gezin. Geboren worden als jongen in een gelovig gezin was voldoende om besneden te worden. De vraag is of dit in het Nieuwe Testament net zo is. Theologen die de geloofsdoop verdedigen hebben sterk de neiging om hierin een tegenstelling te zien tussen het Oude Testament en het Nieuwe Testament: in het Oude Testament is verbond collectief, maar in het Nieuwe Testament is het verbond individueel. Dat is naar twee kanten toe wat over­trokken. Ook in het Oude Testament wordt uiteindelijk van een ieder individueel gevraagd om te geloven; het feit dat men als Jood geboren was, was ook toen niet voldoende om behouden te worden. Het ging om de ‘besnijdenis van het hart’. Anderzijds kun je je afvragen of in het Nieuwe Testament toch niet meer collectief werd gedacht als hier gesuggereerd wordt. Gewezen kan worden op de zogenaamde ‘huisteksten’ en de uitspraak van Petrus dat de belofte is voor alle toehoorders en hun kinderen (Hand. 2:38). We hebben eerder al gezien dat deze teksten door verdedigers van de geloofsdoop anders worden gelezen; zij stellen dat plaatsvervangend geloof niet Bijbels is. Ouders kunnen niet voor hun kinderen geloven. Verdedigers van de kinderdoop wijzen nog op een aantal andere voorbeelden van plaatsvervangend geloof:

- Als vrienden een verlamde op bed bij Jezus brengen, vergeeft Jezus de zonden van de lamme op grond van het geloof van de vrienden (Matt. 9:2)

- Omdat de Kananese vrouw gelooft, wordt haar dochter genezen (Matt. 15:28)

- Omdat de hoofdman van Kafarnaüm gelooft, wordt zijn knecht genezen (Matt. 8:13)

Tegenstanders van de kinderdoop wijzen erop dat in het Oude Testament sprake is van een verbond met Abraham en zijn nageslacht, en het verbond in het Nieuwe Testament ontbreekt. Dat is echter te kort door de bocht. Enerzijds stelt het Nieuwe Testament dat het verbond met Israël nu ook geldt voor de gelovigen uit de heidenen (Ef. 2:12), anderzijds wordt er in het Nieuwe Testament op gewezen dat de belofte van een nieuw verbond door Jezus Christus in vervulling is gegaan (Hebr. 8:8). Deze belofte van een nieuw verbond wordt al in het Oude Testament aangekondigd:

Jer. 31:31-34 ‘Zie, de dagen komen, luidt het woord des Heren, dat Ik met het huis van Israël en het huis van Juda een nieuw verbond sluiten zal. Niet zoals het verbond, dat Ik met hun vaderen gesloten heb ten dage dat Ik hen bij de hand nam, om hen uit het land Egypte te leiden: mijn verbond, dat zij verbroken hebben, hoewel Ik heer over hen ben, luidt het woord des Heren. Maar dít is het verbond, dat Ik met het huis van Israël sluiten zal na deze dagen, luidt het woord des Heren: Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en die in hun hart schrijven, Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn. Dan zullen zij niet meer een ieder zijn naaste en een ieder zijn broeder leren: Kent de Here: want zij allen zullen Mij kennen, van de kleinste tot de grootste onder hen, luidt het woord des Heren, want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en hun zonde niet meer gedenken’.

In dit verband is de tekst uit Ezechiël 18:20-24 opvallend. Hier wordt duidelijk gesteld dat iedereen zijn eigen verantwoordelijkheid heeft: ‘De ziel die zondigt, die zal sterven. Een zoon zal niet mede de ongerechtigheid van de vader dragen, en een vader zal niet mede de ongerechtigheid van de zoon dragen. De gerechtigheid van de rechtvaardige zal alleen rusten op hemzelf en de goddeloosheid van de goddeloze zal alleen rusten op hemzelf. Maar wanneer de goddeloze zich bekeert van alle zonden die hij begaan heeft, al mijn inzettingen onderhoudt en naar recht en gerechtigheid handelt, dan zal hij voorzeker leven; hij zal niet sterven. (…) Maar wanneer een rechtvaardige zich afkeert van zijn rechtvaardige wandel en onrecht doet, naar al de gruwelen handelt, die de goddeloze bedrijft – zal hij dan leven? Met geen van zijn rechtvaardige daden zal rekening gehouden worden. Om de ontrouw die hij gepleegd, en om de zonde die hij bedreven heeft, daarom zal hij sterven’ .

Deze tekst wordt nadrukkelijk gericht tot de mensen uit de tijd van de profeet Ezechiël. Het is opvallend dat er verdedigers van de geloofsdoop zijn die deze tekst betrekken op het nieuwe verbond dat door Jezus is ingegaan. Het hoeft geen betoog dat in het kader van de context van deze tekst in het boek Ezechiël dit moeilijk te verdedigen is.

Het is duidelijk dat de geloofsdoop past in onze tijd van toenemende individualisering. Dit bepaalt ongetwijfeld mede de aantrekkingskracht hiervan in onze tijd. Maar daarmee is niet gezegd dat dit ook Bijbels is.

  

4.3 Kiezen of gekozen worden   

Als iemand tot geloof komt, dan zitten daar twee kanten aan. Enerzijds kunnen we zeggen dat deze persoon de goede keuze gemaakt heeft, anderzijds zal men ook belijden dat het God geweest is die ons gekozen heeft (zie ook Ef. 2:8-9). Bij een geloofsdoop staat het eerste aspect al snel wat meer centraal, bij de kinderdoop uiteraard het tweede aspect omdat een kind immers nog niet zelf kan kiezen. Als men sterk de nadruk legt op het feit dat de doop een antwoord is op de belijdenis van het geloof, dan zal men de geloofsdoop verdedigen. Als men daarentegen meer de nadruk legt op het verbond met God waarmee God naar ons toekomt, dan zal men eerder kinderen dopen. Welke opvatting men ook verdedigt, men zal moeten proberen om een goede balans te vinden tussen deze twee aspecten. Het is God die Zijn hand naar ons uitstrekt, het is de gelovige die in gehoorzaamheid die uitgestrekte hand wil aannemen.

  

4.4 Wat betekent de doop?   

Alvorens tot een conclusie te komen, zullen we eerst samenvatten wat de betekenis is van de doop. We kunnen dit weergeven in drie punten:

a. De doop is een teken van de afwassing van de zonde. Hand. 22:16 ‘En nu, wat aarzelt gij nog? Sta op, laat u dopen en uw zonden afwassen, onder aanroeping van zijn naam’.

b. De doop is een teken van het delen in de dood en opstanding van Jezus. Rom. 6:3-4 ‘Of weet gij niet dat wij allen die in Christus Jezus gedoopt zijn in zijn dood gedoopt zijn? Wij zijn dan met Hem begraven door de doop in de dood, opdat, gelijk Christus uit de doden opgewekt is door de majesteit des Vaders, zo ook wij in nieuwheid des levens zouden wandelen’.

c. Daarnaast heeft de doop ook een betekenis als teken van toetreding tot het verbond. 1 Kor 12:13 ‘Want door één Geest zijn wij allen tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken, hetzij slaven, hetzij vrijen, en allen zijn wij met één Geest gedrenkt’.

  

5. Conclusies   

Na een korte en intensieve studie van de doop, het ik het gevoel dat ik een overtuigende pleidooi kan houden voor de kinderdoop en vervolgens een even overtuigend pleidooi voor de geloofsdoop. In het basisjaar van de Evangelische Hogeschool heeft Willem Ouweneel eens een vurig pleidooi gehouden voor de kinderdoop, gevolgd door een even vurig pleidooi voor de geloofsdoop [xiv]. Na het aansluitende debat werd een kleine peiling gehouden om na te gaan wie voor de kinderdoop was en wie voor de geloofsdoop. Beide groepen waren ongeveer even groot.

Door exegese van de teksten over de doop alleen kan geen antwoord gegeven worden op de vraag of kinderen gedoopt mogen of moeten worden of niet. De discussie wordt met name gecompliceerd omdat in de tijd dat het Nieuwe Testament geschreven is verreweg de meeste zo niet vrijwel alle mensen die gedoopt werden afkomstig waren uit de Joden of de heidenen. Er is niet één concreet voorbeeld te vinden van iemand die in een gelovig gezin wordt geboren en als klein kind wordt gedoopt, maar er is ook geen enkel voorbeeld van iemand die opgegroeid is in een christelijk gezin en zich op belijdenis laat dopen.

Historische gegevens geven geen eenduidig beeld van de praktijk van de eerste christengemeenten. Het is duidelijk dat op grote schaal heidenen die tot geloof kwamen zich lieten dopen. En het lijkt erop dat – als ze kinderen hadden – ook hun kinderen gedoopt werden. Maar als die kinderen dan opgroeien en een bewuste keuze voor het geloof maken, werden ze dan opnieuw gedoopt? En hoe zit het met de kinderen uit de tweede generatie: werden kinderen van gelovige ouders gedoopt als zuigeling of pas als ze bij het ouder worden een eigen beslissing hadden genomen? De parallellie met de proselietendoop helpt ons niet echt verder. Immers, binnen het Jodendom kende men geen ritueel dat het moment markeerde dat een jongere bewust tot geloof komt.

Dit betekent dat we andere overwegingen moeten laten meewegen. De eerste overweging is het begrip verbond. Kinderen die geboren worden in een gezin waarvan de ouders gelovig zijn, hebben een andere positie dan kinderen in een ongelovig gezin. Zij zijn heilig, in de Bijbelse zin van het woord. Of je daar nu het begrip verbond aan hangt of niet, voor mij is dit een Bijbels gegeven. Maar dit betekent niet dat het kind automatisch ook gelovig is, of dat kinderen die niet gelovig zijn opgegroeid niet ook gelovig kunnen worden. Van iedereen wordt gevraagd om tot een bewuste keuze te komen. Zowel veel evangelische christenen en baptisten als reformatorische christenen erkennen dit.

De doop kan het beste benaderd woorden vanuit de betekenis ervan. De doop is een teken van de eenmalige overgang van de wereld naar een nieuw leven met Christus. De doop is daarmee ook een teken van de vergeving van de zonde. En een teken van de opname in het verbond dat God geeft.

Op basis van deze betekenis van de doop is de doop op belijdenis het uitgangspunt. Het is God die ons Zijn verbond aanbiedt. Degene die zich laat dopen aanvaardt dat verbond van God. Wat betreft de kinderdoop sluit ik me aan bij het volgende citaat: ‘de zuigelingendoop is een afgeleide praktijk, die haar rechtvaardiging vindt in een beroep op het verbond dat God met Zijn gemeente aangaat’ [xv]. De doop moet gezien worden in de context van een belijdende gemeente, die als lichaam van Christus getuige is van het verbond met God, en waarbinnen het werk van de Heilige Geest gestalte kan krijgen.

Persoonlijk vindt ik de combinatie van het opdragen van kinderen en de doop op belijdenis het dichtst staan bij de betekenis van de doop zoals die in het Nieuwe Testament te vinden is. Maar daarmee wil ik niet stellen dat de zuigelingendoop en de openbare geloofsbelijdenis niet geoorloofd zouden zijn.

Als vorm van de doop doet de volledige onderdompeling het meeste recht aan de betekenis van de doop.

Tot slot kan overwogen worden om kinderen van gelovigen ouders niet alleen als zuigeling op te dragen, maar op een gegeven moment ook het Avondmaal mee te laten vieren, ook al zijn ze nog niet gedoopt.


Bas Krins - december 2015, aangevuld december 2016



Noten  
    

[i] Bedoeld wordt de doop van kinderen die nog zo jong zijn dat ze niet zelf een beslissing kunnen nemen ten aanzien van de doop. Ook de term zuigelingendoop wordt gebruikt, hoewel ook kinderen tot 3 jaar oud gedoopt werden in het verleden. 

[ii] Ook de Rooms-katholieke kerk en de Oosters-orthodoxe kerk praktiseren de kinderdoop.

[iii] Hendrik F. Stander, Johannes P. Louw; De doop in de vroege kerk  

[iv] Opvallend is dat in de bekende ‘Beknopte gereformeerde dogmatiek’  van J. van Genderen en W.H. Velema wel sterk de relatie wordt gelegd tussen de besnijdenis en de (kinder)doop. 

[v] Voor het vervolg is dankbaar gebruik gemaakt van: Barry Fike; Mikveh – the relationship of Jewish ritual immersion and Christian baptism. 

[vi] In het Hebreeuws en Aramees zijn de werkwoorden voor ‘dopen’ intransitief.  

[vii] Dit is de essentie van het besluit van de vergadering in Jeruzalem in Hand. 15:1-21  

[viii] Namelijk een ‘argumentum ex silentio’.  

[ix] Opnieuw een drogreden, namelijk een ‘petitio principii’ (cirkelredenering).  

[x] Eén van de discussiepunten was of de baby’s twee of drie dagen na de geboorte moesten worden gedoopt, of dat de naar het voorbeeld van de besnijdenis moest worden uitgesteld tot de achtste dag.  

[xi] Zie: Dr. M.A. van Willigen; Christus volgen, Doop en avondmaal in de Vroege Kerk  

[xii] In feite ziet men deze leer terug in de Rooms-Katholieke theologie.  

[xiii] Zie bijv. Robert Banks; Going to church in the first century, en Robert Banks; Paul’s idea of community.  

[xiv] Vermeld in een artikel in het ND van 26 juni 2015  

[xv] G. van den Brink, C. van der Kooi; Christelijke dogmatiek.