De tempelreiniging en de vervloekte vijgenboom  


De perikoop

De geschiedenis van de tempelreiniging en de geschiedenis van de vervloekte vijgenboom vinden we in zowel het Evangelie naar Matteüs als het Evangelie naar Markus. Beide geschiedenissen staan in een perikoop die begint met de intocht van Jezus in Jeruzalem en afgesloten wordt met de toelichting van Jezus op de vervloeking van de vijgenboom (Mt. 21:1-22; Mk. 11:1-26). De eenheid van de perikoop wordt duidelijk door de rol die de citaten uit Zacharia en Jeremia in dit Bijbelgedeelte spelen, zoals we zullen zien. De tempelreiniging komen we ook in het Evangelie naar Lukas tegen, maar daar ontbreekt de vervloekte vijgenboom (Luk. 19:28-48).
Het is een bekende passage uit de Evangeliën, maar dat neemt niet weg dat beide geschiedenissen veel vragen oproepen. Sommige theologen beschouwen dit deel zelfs als de moeilijkste tekst uit het Nieuwe Testament. Het vernietigen van een boom door Jezus lijkt tegenstrijdig met de vele andere tekenen die Hij gedaan heeft, zoals het genezen van zieken. Wat is de reden van de tempelreiniging? Veel uitleggers wijzen op corruptie door de handelaars maar dat blijkt nergens uit. En is het niet onredelijk om een boom te vervloeken omdat er geen vijgen aan hangen terwijl het volgens Markus niet de tijd voor vijgen is? En waarom geeft Jezus als antwoord aan de discipelen op reactie op het verdorren van de boom een opmerking over het belang van geloven?


Handel op het tempelplein

In Deut. 14 lezen we: ’22 Gij zult de gehele opbrengst van het zaad dat uit uw akker voortkomt, stipt vertienen, jaar op jaar. 23 Gij zult voor het aangezicht van de HERE, uw God, in de plaats die Hij verkiezen zal om zijn naam daar te doen wonen, eten de tiende van uw koren, uw most en uw olie, en de eerstelingen van uw runderen en van uw kleinvee, opdat gij de HERE, uw God, uw leven lang leert vrezen. 24 Wanneer de weg voor u te lang zou zijn, zodat gij ze niet zoudt kunnen vervoeren, omdat de plaats die de HERE, uw God, verkiezen zal om daar zijn naam te vestigen, te ver van u verwijderd is, wanneer de HERE, uw God, u gezegend heeft – 25 dan zult gij ze te gelde maken en dat geld bij u steken en naar de plaats gaan, die de HERE, uw God, verkiezen zal, 26 en gij zult dat geld besteden voor alles waarin gij lust hebt, voor runderen of kleinvee, voor wijn of bedwelmende drank, of wat gij ook wenst, en gij zult daar voor het aangezicht van de HERE, uw God, eten en u verheugen, gij met uw huisgezin; 27 ook de Leviet, die binnen uw poorten woont, zult gij aan zijn lot niet overlaten, want hij heeft geen bezit of erfdeel met u’. Hieruit blijkt dat het kopen van een offerdier in Jeruzalem in plaats van het meenemen van de offerdieren van huis was toegestaan. Ook uit Joodse literatuur blijkt dat dit een toegestane praktijk was.
De Joden wilden geen Romeins geld accepteren bij de handel in de tempel omdat dit geld een afbeelding van de keizer had. Om die reden moest het geld worden omgewisseld voor Tyrisch geld, alvorens er offerdieren konden worden gekocht. Dit Tyrisch geld werd gebruikt omdat er geen afbeelding van een mens op stond - overigens wel een afbeelding van een godheid - en omdat deze munt voldoende beschikbaar was en een gelijkmatig zilvergehalte had.
Veel commentaren geven aan dat de handel in offerdieren corrupt was en er oneigenlijke grote winst werd gemaakt met het wisselen van geld, maar het is zeer de vraag of dat in het algemeen klopt.


De vijgenboom

We komen in het Nieuwe Testament drie soorten vijgenboom tegen.
De συκη (sukè) is de vijgenboom (Ficus carica). Deze verliest zijn blad in de winter. De boom werd 6 tot 9 meter hoog. De vrucht is eetbaar.
De συκομορεα (sukomorea) is de wilde vijgenboom, sykomore of moerbeivijgenboom (Ficus sycomorus). Deze boom wordt 10 tot 15 meter hoog en verliest het blad niet. De boom heeft een grote kroon en het hout van deze boom is bruikbaar. Zacheüs klom in een dergelijke boom (Luk. 19:4).
Tot slot kennen we nog de συκαμινος (sukaminos). Dit is een moerbeiboom (Luk. 17:6).
Er zijn uitleggers die menen dat de boom die Jezus vervloekt heeft een wilde vijgenboom geweest is, maar aangezien er in het Grieks een duidelijk verschil in benaming is tussen de vijgenboom en de wilde vijgenboom en de bomen duidelijk verschillend van uiterlijk zijn, is dit een erg gezochte uitleg.
De vijgenboom heeft zijn eerste vruchten in maart, nog eerder dan de bladeren. De eerste bladeren spruiten in april uit. Onder het begin van deze loten zitten de zgn. voorvijgen (‘paggim’, zie Hoogl. 2:13). Dit zijn groene vijgen die weinig sap bevatten. Ze werden wel gegeten omdat er in die tijd weinig andere vruchten zijn. De bladeren worden heel groot en het blade¬dek kan heel dicht worden. Soms maakt de boom alleen bladeren en geen voorvijgen. Deze bomen zullen geen vruchten gaan ontwikkelen. In de voorzomer ontwikkelen zich vroege vijgen (‘bikkurim’, eerstelingen, zie Jes. 28:4, Jer. 24:2, Hosea 9:10, Micha 7:1, Nah. 3:12) op de plaats van de voorvijgen. Deze vijgen zijn eind mei of begin juni rijp om te worden gegeten. De loten die in het vroege voorjaar zich zijn gaan ontwikkelen leveren de derde generatie vruchten. Dit zijn de beste vijgen (‘te’enim’, vijgen). Ze worden geoogst vanaf augustus. Deze vijgen zijn saprijk en bevatten 60% druivensuiker. Ze worden vers gegeten of gedroogd tot koeken. Het ontwikkelen van vruchten gaat door tot laat in de zomer. De laatste vruchten (‘paggim’) worden niet meer rijp, en kunnen in de winter worden afgeworpen (Openb. 6:13). Als ze de winter overleven rijpen ze in het voorjaar. De opmerking dat het niet de tijd was voor de vijgen (Marc. 11:13) geeft aan waarom Jezus naar de boom liep, omdat de voorvijgen – die te verwachten waren op basis van het feit dat er bladeren waren – alleen te zien zijn van dichtbij.


Citaten

In de perikoop staan een viertal citaten uit het Oude Testament:
Zach. 9:9: Zegt der dochter Sions: Zie, uw Koning komt tot u, zachtmoedig en rijdend op een ezel, en op een veulen, het jong van een lastdier (Mt. 21:5).
Ps. 118:26: Hosanna de Zoon van David, gezegend Hij, die komt in de naam des Heren (Mt. 21:9, Mk. 11:10, Lk. 19:38).
Jes. 56:7: Mijn huis zal een bedehuis heten (Mt. 21:13, Mk. 11:17, Lk. 19:46).
Jer. 7:11: maar gij maakt het tot een rovershol (Mt. 21:13, Mk. 11:18, Lk. 19:46).


De Zacharia-apocalyps

De hoofdstukken 9 t/m 14 van Zacharia worden de Zacharia-apocalyps ge¬noemd. Dit deel profeteert over de komst van de Messias en de eindtijd. Op de achtergrond van de perikoop die in dit artikel besproken wordt spelen deze hoofdstukken uit Zacharia een rol.
De indeling van de Zacharia-apocalyps ziet er als volgt uit:
- 9: 1-8 Israëls vijanden verslagen
- 9: 9-10 de Messias als koning (par. Jes. 42)
- 9:11 – 11:3 overwinning van Gods volk op de vijanden
- 11: 4-17 de Messias verworpen (par. Jes. 49)
- 12: 1-9 eindstrijd
- 12:10 – 13:1 de Messias gedood (par. Jes. 50-51)
- 13: 2-6 afgoden en valse profeten zullen worden verwijderd
- 13: 7-9 de Messias gedood (par. Jes. 52-53)
- 14: 1-15 eindstrijd
- 14: 16-21 alle volken vieren het Loofhuttenfeest
De apocalyps begint met een profetie over het verslaan van de vijanden van Israël en eindigt met een profetie dat alle volken met Israël het Loofhutten¬feest zullen vieren. Het deel er tussen in bevat afwisselend profetieën over de Messias en profetieën over de eindtijd. De vier profetieën over de Messias vertonen grote verwantschap met de vier profetieën over de lijden de Knecht des Heren uit Jesaja.
Aan het begin van de Zacharia-apocalyps wordt geprofeteerd van de Messias: “Verheug u zeer, dochter van Sion! Juich, dochter van Jeruzalem! Zie, uw Koning zal tot u komen, rechtvaardig, en Hij is een Heiland, arm, en rijdend op een ezel, op een ezelsveulen, het jong van een ezelin” (Zach. 9:9).
Als Jezus op een ezel Jeruzalem binnen trekt denken de mensen aan de ver¬vulling van deze profetie. Dit blijkt uit hun reactie. Aan het einde van deze Zacharia-apocalyps wordt geprofeteerd van een Loofhuttenfeest in de eind¬tijd waaraan alle volken deelnemen: “Het zal geschieden dat al de overgeblevenen van alle heidenvolken die tegen Jeruzalem zijn opgerukt, van jaar tot jaar zullen opgaan om zich neer te buigen voor de Koning, de HEERE van de legermachten, en om het Loofhuttenfeest te vieren” (Zach. 14:16). Het is duidelijk dat de omstanders aan deze tekst uit de profetie van Zacharia denken. Ze citeren uit het Hallel (Ps. 113-118) met de woorden “Hosanna, de Zoon van David! Gezegend Hij Die komt in de Naam van de Heere! Hosanna, in de hoogste hemelen!” (Ps. 118:26). Het Hallel werd gezongen tijden Pesach, het Wekenfeest, het Loofhuttenfeest en Chanoeka. Het zwaaien met takken van de bomen verwijst naar het Loofhuttenfeest.
Maar de Zacharia-apocalyps heeft nog een vervolg: “Op die dag zal op de bellen van de paarden staan: HEILIG VOOR DE HEERE. En de potten in het huis van de HEERE zullen zijn als de sprengbekkens voor het altaar. Ja, al de potten in Jeruzalem en in Juda zullen voor de HEERE van de legermachten heilig zijn, zodat allen die willen offeren, zullen komen en ervan nemen om erin te koken. Op die dag zal er geen Kanaäniet meer zijn in het huis van de HEERE van de legermachten” (Zach. 14:20-21). Het woord dat hier vertaald is met ‘Kanaäniet’ kan ook vertaald worden met ‘handelaar’ (zo NBV; zie ook Spr. 31:24, Job 40:25, Jes. 23:8). In dit gedeelte uit Zacharia wordt aange¬geven dat in Jeruzalem en Juda alles heilig zal zijn en alle volken samen met Israël God zullen dienen.


De tempelreiniging

De tempelreiniging door Jezus verwijst naar deze tekst uit Zacharia. Jezus citeert uit Jesaja met een vergelijkbare betekenis: “Mijn huis zal een huis van gebed genoemd worden voor alle volken” (Jes. 56:7). Hierdoor wordt nog eens onderstreept dat de heidenen zich zullen aansluiten bij Gods volk. Echter, de heidenen mochten uitsluitend in de voorhof komen, en die werd in beslag genomen door geldwisselaars en handelaars. Hierdoor was bidden in de tempel voor hen vrijwel onmogelijk geworden.


De tempelprediking van Jeremia

Het vervolg van de reactie van Jezus is een citaat uit Jeremia: “…maar u hebt er een rovershol van gemaakt” (Jer. 7:11). Dit citaat komt uit een passage die we de tempelprediking noemen (Jer. 7:1-34). God draagt Jeremia op om in de poort van de tempel te gaan staan en daar te prediken tot de mensen uit Juda die de tempel binnengaan. Hij verwijt hen het onrecht dat ze doen: onder¬drukking van weduwe en wees, stelen, doodslaan, overspel, afgodendienst. “Is dan dit huis waarover Mijn Naam is uitgeroepen, in uw ogen een rovershol?” (Jer. 7:11). Weliswaar gaan de Judeeërs naar de tempel, ze horen daar niet thuis. Het zijn inbrekers, zoals de tekst ook vertaald kan worden. Of zoals de Targum (Aramese vertaling) weergeeft: ‘Is dit huis een verzamel¬plaats van goddelozen geworden?’. Jeremia verwijt zijn toehoorders een leven dat ogen¬schijnlijk heel vroom lijkt, maar feitelijk een handel en wandel is die tegen Gods geboden ingaat. Jezus waarschuwt eveneens voor een levensstijl die van buiten er vroom uit ziet, maar die voorbij gaat aan datgene wat God werkelijk van ons vraagt.
Als we verder lezen in Jeremia dan wordt duidelijk dat het volk zich destijds verhardde in plaats van te luisteren naar de woorden van Jeremia. En dan kondigt God de verwoesting van de tempel aan: “Ik ga hen volkomen wegvagen, spreekt de HEERE. Er zijn geen druiven aan de wijnstok, geen vijgen aan de vijgenboom, en de bladeren zijn verwelkt“ (Jer. 8:13). God ziet geen vruchten aan de wijnstok en de vijgenboom, een beeld van het Joodse volk, en daarom komt Hij met Zijn oordeel. Jeremia kondigt aan dat de tempel zal worden verwoest.


De vervloeking van de vijgenboom

De betekenis van deze geschiedenis van de vervloekte vijgenboom ligt in het verlengde van de betekenis van de tempelreiniging. De boom zag er van de buitenkant veelbelovend uit, maar de vruchten ontbraken. Het vervolg is een ernstige waarschuwing: Jezus vervloekt de boom en als gevolg verdort deze. De opmerkende omstander zal door de verwijzing naar Jeremia ook begrepen hebben dat er een tweede waarschuwing in deze geschiedenis zit: God zal met Zijn oordeel komen en de tempel vernietigen.


Synopsis: Marcus

Marcus legt grote nadruk op het feit dat de geschiedenis van de tempel¬reiniging en de geschiedenis van de vervloekte vijgenboom sterk met elkaar verbonden zijn. Dit doet hij door gebruik te maken van een zgn. ‘sandwich-constructie’, waarbij de twee geschiedenissen in elkaar gevlochten worden. Dit wordt in het volgende schema toegelicht.

11 ‘En nadat Hij rondom alles overzien had’ (tempelreiniging)
12-14 ‘om te zien of Hij er ook iets aan vinden zou’ (vervloeking vijgenboom)
15-17 ‘dat Mijn huis een bedehuis zal heten’ (tempelreiniging)
20-24 ‘al wat gij bidt en begeert’ (verdorring vijgenboom)


Synopsis: Lukas

Bij Lukas ontbreekt de geschiedenis van de vervloeking van de vijgenboom. Verder valt op dat Lukas de gelijkenis van de ponden (Luk. 19:11-28) vóór de geschiedenis van de intocht in Jeruzalem plaatst en dat hij vóór de tempelreiniging de profetie over de verwoesting van Jeruzalem (Luk. 19:41-44) plaatst. In Matteüs staan beide gebeurtenissen later in het Evangelie beschreven (gelijkenis van de ponden in Matt. 25:14-30 en profetie over de verwoesting van Jeruzalem in Matt. 24:1-2).
Bij Lukas begint de gelijkenis van de ponden met de volgende opmerking: ’11 Toen zij daarnaar luisterden, sprak Hij nog een gelijkenis uit, omdat Hij dicht bij Jeruzalem was en zij meenden, dat het Koninkrijk Gods terstond openbaar zou worden. 12 Hij zeide dan: Een man van hoge geboorte trok naar een ver land om voor zich de koninklijke waardigheid in ontvangst te nemen en (daarna) terug te keren’. Hiermee wordt duidelijk dat deze gelijkenis verwijst naar een historisch gebeuren. Herodus de Grote die overleden is in 4 v.Chr. had in zijn testament zijn rijk verdeeld over drie van zijn zonen. Archelaüs kreeg het grootste deel, met o.a. de provincie Judea waarin de hoofdstad Jeruzalem ligt. De oude Herodus had in zijn testament bepaald dat Archelaüs pas dan de titel van koning zou krijgen, als hij bewezen zou hebben daarvoor geschikt te zijn. Echter, onmiddellijk na de dood van Herodus de Grote, eigende Archelaüs zichzelf onrechtmatig de titel van koning toe. Tijdens het Pinksterfeest kwam het tot onlusten, en Archelaüs’ troepen doodden 3000 Joden. Maar Archelaüs had nog een ander probleem. Zijn broer en mede-erfgenaam Antipas betwistte het testament van hun vader. Volgens hem was hun vader niet meer in het bezit van zijn volle geestelijke vermogens toen hij zijn testament had opgesteld. De broers besloten de zaak aan de keizer Augustinus voor te leggen, die het testament toch nog bekrachtigen moest. Archelaüs droeg het bestuur over aan zijn broer en derde erfgenaam Filippus, stelde de schatten van Herodus de Grote onder ervaren ambtenaren en in de grotere plaatsen stelde hij stadscommandanten aan. Archelaüs vertrok naar Rome. Ook Antipas voer af. En een derde schip ging naar Rome, met daarop 50 aanzienlijke joodse mannen die de keizer wilden verzoeken zowel Archelaüs als Antipas af te zetten en een Romeinse stadhouder te benoemen. De keizer hoorde de drie partijen aan, en bevestigde Archelaüs in het bestuur over de gebieden die in het testament genoemd waren. Hij mocht niet de koningstitel gebruiken, maar werd etnarch. Als Archelaüs zich waardig be¬toonde, mocht hij zich koning noemen. Bij zijn terugkomst zette hij de hogepriester, die aan de opstand had deelgenomen, af. Vermoedelijk heeft hij ook anderen ter verantwoording geroepen. Gedurende tien jaar tiranniseerde hij de bevolking, waarna hij door keizer Augustus in het jaar 6 n.Chr. ter verant¬woording werd geroepen en verbannen.
Lukas geeft hier een duidelijke uitleg van de betekenis van de perikoop. Jezus gaat naar Jeruzalem om er te lijden en sterven, zoals Zacharia in zijn apocalyps aangeeft. Maar ook de profetieën over de Messias als Koning zullen worden vervuld. Jezus komt nog terug en dan zullen die profetieën worden vervuld.
Zoals we hebben gezien is de betekenis van de verdorring van de vijgenboom de aankondiging van de verwoesting van Jeruzalem. Deze geschiedenis ontbreekt bij Lukas, maar in plaats daarvan vermeldt Lukas als onderdeel van deze perikoop de aankondiging van Jezus van de val van Jeruzalem.


Toepassing

De tempelreiniging en de vervloeking van de vijgenboom verkondigen een en dezelfde boodschap. De mensen uit de tijd van Jezus wilden een koning. Maar ze vergaten dat - zoals Zacharia al profeteerde - de Messias eerst zou worden verworpen (Zach. 11: 4-7) en gedood (Zach. 12:10 – 13:1 en 13:7-9). Ze ver¬gaten ook dat God een leven vraagt dat in overeenstemming is met het geloof, en niet een leven dat alleen van buiten er vroom uit ziet. En verder wordt in deze geschiedenis onderstreept dat God ook heidenen op het oog heeft. Tot slot wordt ook duidelijk dat de verwoesting van de tempel wordt aangekondigd.
Als de discipelen aan Jezus vragen hoe het mogelijk is dat de vijgenboom zo snel verdort, dan antwoordt Jezus: ‘21 Maar Jezus antwoordde en zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, indien gij geloof hebt en niet twijfelt, zult gij niet alleen doen wat met de vijgeboom is gebeurd, maar zelfs indien gij tot deze berg zegt: Hef u op en werp u in de zee, het zal geschieden. 22 En al wat gij in het gebed gelovig vragen zult, zult gij ontvangen’. Hiermee wordt opnieuw duidelijk wat de kern van het geloof is: in het gebed vertrouwen op wat God wil doen. 


Bas Krins - december 2015