De kerststal  - Feit en fictie rondom Kerst


1.      Inleiding

Als we de geschiedenis van de geboorte van Jezus in de Evangeliën van Mattheüs en Lukas lezen, dan valt op dat deze beschrijving behoorlijk kort is. En zoals we meestal in de geschiedenis zien, ontstaat er dan in de traditie de neiging om de ontbrekende gegevens aan te vullen. Op die manier zijn er veel aanvullingen op de kerstgeschiedenis ontstaan. Sommige aanvullingen zijn zo ingeburgerd dat we ons nauwelijks nog realiseren dat ze geen onderdeel zijn van de Bijbelse geschiedenis maar later zijn toegevoegd. In dit artikel wordt een selectie van die latere aanvullingen gegeven. Dat doen we door na te gaan wat er tegenwoordig zoal in een gemiddelde kerststal te zien is.

  

2.      Geboorte in een grot

In de Bijbel lezen we dat er geen plaats was in de herberg, maar waar Jezus dan wel geboren is wordt niet vermeld. Omdat Jezus in een kribbe (voederbak) werd gelegd, ontstaat de suggestie dat de geboorte in een stal geweest moet zijn. Waarschijnlijk wordt met de herberg een soort karavanserai bedoeld, waarin alle gasten in één grote ruimte verbleven. Een weinig geschikte plaats voor een bevalling. De opmerking van Lukas dat er geen plaats was in de herberg is waarschijnlijk niet zozeer een aanduiding dat alle beschikbare plekken in gebruik waren, maar dat er een aantal gasten waren en de beschikbare ruimte daarmee ongeschikt was voor een bevalling. Daarom wijken Jozef en Maria uit naar de ruimte voor de dieren van de gasten bij deze karavanserai. Dat kan een stal geweest zijn, maar ook een grot is mogelijk aangezien een grot ook vaak als stal werd gebruikt.

Het woord dat gewoonlijk met herberg wordt vertaald (Grieks: kataluma, letterlijk 'uitspanning') komen we ook tegen in Mark. 14:14 en Luk. 22:11 waar het verwijst naar de bovenzaal waar Jezus het Pascha heeft gevierd. Lukas kende ook het juiste woord voor herberg (Grieks: pandocheion). Dit woord gebruikt hij in de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan (Luk. 10:34).

Vaak wordt er in kerstvertellingen het beeld geschilderd dat Jozef en Maria alle herbergen langsgaan en nergens een plaats vinden. Lukas spreekt echter nadrukkelijk over dè herberg. Of beter gezegd dè karavanserai. Er was er maar één. Gezien de afmeting van het dorpje Bethlehem is het ook moeilijk om zich voor te stellen dat er meerdere waren.

Overigens zijn er ook uitleggers die aangeven dat Lukas het gastenverblijf van een particulier huis bedoelt, vermoedelijk het huis van familie in Bethlehem. Dat is niet onmogelijk, maar toch minder waarschijnlijk. Het ligt voor de hand om te veronderstellen dat Lukas in dat geval daar toch een opmerking over gemaakt zou hebben.

De traditie dat de geboorte in een grot heeft plaatsgevonden is al oud. Dit lezen we onder andere in het Protevangelie van Jacobus (tweede helft van de tweede eeuw), bij Justinus Martyr († 165 n.Chr.; Dialoog met Trypho 78) en bij Origenes (185 – 254 n.Chr.; in een preek over het Evangelie naar Lukas).

  

3.      De drie wijzen

De wijzen uit het oosten brachten drie geschenken mee; goud, wierook en mirre. Hieruit is de traditie ontstaan dat het drie wijzen geweest moeten zijn. Dit is echter niet expliciet in het Evangelie naar Mattheüs aangegeven; het kunnen er ook meer of minder geweest zijn. Later kregen deze drie wijzen ook namen. In het Grieks waren dat Apellius, Amerius en Damascus, in het Hebreeuws Galgalat, Malgalat en Sarathin. De namen waaronder ze uiteindelijk bekend zijn geworden zijn hun gelatiniseerde Perzische namen Caspar, Melchior en Balthasar. We komen deze namen voor het eerst tegen in een zesde-eeuwse Latijnse vertaling van een Grieks geschrift waarvan de oorspronkelijke versie verloren is gegaan.

Het Protevangelie van Jacobus (tweede helft tweede eeuw) vermeldt dat de wijzen direct na de geboorte bij Maria in de grot komen (Protevangelie van Jacobus 21). Tevens wordt vermeldt dat de bijzondere ster die zij zagen een buitengewoon felle ster was. Dit laatste element ontbreekt ook in Mattheüs. De ster moet bijzonder geweest zijn, maar dit kan ook betekenen dat de stand van de sterren bijzonder was, met andere woorden dat er sprake was van een bijzondere horoscoop. (Zie het artikel op deze website over Jezus’ leeftijd bij Zijn kruisiging en opstanding).

Vanaf de zesde eeuw zien we in voorstellingen dat zowel de herders als de wijzen Jezus aanbidden. De herders vergezeld van schapen, en de wijzen met hun dromedarissen. Die dromedarissen zijn er natuurlijk gewoon bijverzonnen, maar het is wel een erg voor-de-handliggende toevoeging. De combinatie van de herders met de wijzen had ook een theologisch achtergrond. De herders waren beeld van de Joden die Jezus vereerden en de wijzen van de heidenen.

In het Evangelie van Pseudo-Mattheüs wordt aangegeven dat het bezoek van de wijzen twee jaar na de geboorte in Jeruzalem plaats vond. Hoewel dit geschrift in de achtste of negende eeuw is ontstaan, bevat het veel oude tradities. Dat neemt niet weg dat het opvallend is dat dit geschrift op dit punt een afwijkend standpunt inneemt.

  

4.      Os en ezel

Het Protevangelie van Jacobus (tweede helft tweede eeuw) wijkt op meerdere punten af van Mattheüs en Lukas. Hierin wordt beschreven dat Jozef een ezel meenam op zijn reis naar Bethlehem. Volgens deze versie had Jozef al meerdere zonen voordat door het lot Maria – die dan reeds weet dat ze Gods Zoon zal baren - aan hem toegewezen wordt. Als keizer Augustus bevel geeft aan iedereen om zich in te schrijven, dan gaat Jozef met zijn zonen en Maria op pad. Maria gaat mee op een ezel (Protevangelie van Jacobus 17)

De os en de ezel als duo vinden we evenmin in het kerstevangelie. Ze komen uit de profetie van Jesaja:

Jes. 1:3 Een rund herkent zijn meester, een ezel kent zijn ​voederbak, maar Israël mist elk inzicht, mijn volk leeft in onwetendheid.

Volgens Origenes (185 – 254 n.Chr.) is de kribbe waar Jesaja over spreekt de kribbe uit het Evangelie naar Lukas, en de meester is Jezus.

Vanaf de derde eeuw verschijnen de os en ezel op afbeeldingen van het kerstverhaal. Diezelfde ezel werd op schilderijen gebruikt als vervoermiddel voor Maria bij de vlucht naar Egypte. Er zijn ook verhalen dat Jozef daarnaast tevens zijn os meenam op reis.
In het Evangelie van Pseudo-Mattheüs lezen we:

Ev.Ps.Matt. 14 ‘Op de derde dag na de geboorte van onze Heer Jezus Christus liep de zalige Maria uit de grot, ging een stal in en legde haar Zoon in een kribbe, en os en ezel aanbaden het. Toen werd vervuld, wat door de profeet Jesaja verkondigd is, die zegt: “De os kent zijn bezitter en de ezel de kribbe van zijn heer”. Zo aanbaden zelfs de dieren, os en ezel, hem voortdurend, terwijl zij Hem tussen zich in hadden. Toen werd vervuld, wat door de profeet Habakuk verkondigd is, die zegt: ”Tussen twee dieren wordt u erkent”. Jozef bleef op dezelfde plaats met Maria drie dagen’.

Het citaat uit Jesaja werd op deze manier verbonden met de tekst uit Habakuk:

Hab. 3:2 (LXX)  in het midden van twee dieren zult gij gekend worden

Tussen haakjes: dit vers staat in de Griekse vertaling van het Oude Testament; in de Hebreeuwse tekst ontbreekt het. Het berust op een vertaalfout. Er staat ‘in het midden van de jaren’, maar dit is gelezen als ‘in het midden van twee dieren’.

Die twee dieren waren volgens deze uitleg de os en de ezel. In deze uitleg was de os een symbool van het Joodse volk, dat leeft onder het juk van de wet, net zoals een os een juk draagt. De ezel was óf eveneens een symbool van het Joodse volk, óf van de heidenen aangezien het een onrein dier was. Deze laatste interpretatie komen we tegen bij Origenes in de eerder genoemde preek over het Evangelie naar Lukas. Dat betekent dat de os en ezel dan dus symbool zijn voor het Joodse volk en de heidenen die beiden Jezus aanbidden.

Het dier waarover Jesaja spreekt kan feitelijk een koe, stier of os zijn. Vanwege de associatie met het dragen van een juk werd gekozen voor de vertaling met os, aangezien een stier of koe niet geschikt was om een juk te dragen.


5.      De ster van de herders

Als we het Evangelie naar Mattheüs goed lezen dan spreken de wijzen over een ster die ze hebben gezien en op grond waarvan ze besloten om op reis te gaan, en daarnaast van een ster die hen een tijd later naar de goede plaats brengt waar Jezus op dat moment is. Dat moet een huis geweest zijn (Matt. 2:11). Dus feitelijk hebben de wijzen twee maal een bijzondere ster gezien. In het Evangelie naar Lukas staat dat de herders op zoek gingen naar Jezus en Hem vonden, maar daarbij wordt niet gesproken over een ster. Dat is een element dat we pas later op afbeeldingen vinden. We zijn gewend om een ster bij de kerststal te zien, maar dat klopt niet. De wijzen komen uit het oosten en zeggen dat ze de ster die de geboorte van een koning aankondigt in het oosten hebben gezien. Die ster kan dus onmogelijk boven Bethlehem hebben gestaan, want dan zouden de wijzen de ster in het westen moeten hebben gezien. En als de wijzen later Jezus komen vereren, dan zijn Jozef, Maria en Jezus al lang niet meer op de plaats van de geboorte van Jezus. Kortom, de ster heeft niet boven de geboorteplaats van Jezus gestaan.

  

6.      Palmboom

Een ander element dat men kan aantreffen bij de kerststal is de palmboom. Deze komt uit het Evangelie van Pseudo-Mattheüs over de reis naar Egypte:

Ev.Ps.Matt. 20 Op de derde dag van haar reis, terwijl ze verder trokken, gebeurde het, dat de zalige Maria door de al-te-grote hitte van de zon in de woestijn moe werd, en toen zij een palmboom zag, zei ze tegen Jozef: “Ik wil graag in de schaduw van deze boom een beetje uitrusten”. Toen leidde Jozef de ezel naar de palm en liet haar afstijgen van het lastdier. Toen de zalige Maria was gaan zitten, keek ze naar de kroon van de palm op en zag, dat deze vol met vruchten hing. Toen zei ze tegen Jozef: “Ik zou willen, dat men van deze vruchten van de palm kon halen”. Jozef zei echter tegen haar: “Het verbaast mij dat je dit vraagt; want je ziet toch hoe hoog de palm is, en (het verbaast mij), dat je (ook nu) eraan denkt, van de palmvruchten te eten. Ik denk voor mijn part meer aan een gebrek aan water, want de zakken zijn al leeg, en we hebben niets waarmee wij ons en de lastdieren verfrissen kunnen”. Toen sprak het kind Jezus, die in een vrolijke stemming in de schoot van Zijn moeder zat, tot de palm: “Buig je taken, en verfris Mijn moeder met je vruchten”. En terstond boog de palm op zijn oproep met zijn top naar de voeten van de zalige Maria, en zij verzamelde van zijn vruchten, waaraan allen zich laafden. Nadat ze alle vruchten verzameld hadden, bleef het in gebogen houding en wachtte daarop, zich weer op te richten op het bevel van degene die bevolen had te buigen. Toen zei Jezus tot hem: “Richt je op, palm, wordt sterk, en houdt Mijn bomen gezelschap die in het paradijs van Mijn Vader zijn. En ontsluit een waterader onder je voeten, die in de grond verborgen is, en laat het water stromen, zodat we uit jou onze dorst lessen”.  En hij richtte zich direct op, en een heel zuivere, frisse en volledig heldere waterbron begon uit haar wortels omhoog te borrelen. Toen ze aldus de waterbron zagen, verheugden ze zich zeer, en ze lesten hun dorst, zij zelf, alle lastdieren en al het vee. Daar dankten ze God voor.

Opvallend is dat aan de (zeer) jonge Jezus al opmerkelijke wonderen worden toegekend. Hiervan zijn nog veel meer voorbeelden, maar het voert te ver om die in dit artikel te benoemen.

We komen een vergelijkbare geschiedenis ook tegen in de Koran:

Soera 19:23-26 En de smarten van de bevalling dreven haar (Maria) naar de voet van een palmboom. Zij zei: “O, liever zou ik vóór dit geschiedde gestorven en in de vergetelheid geraakt zijn.”  Toen riep (Allah’s boodschapper) haar van beneden toe, zeggende: “Treur niet. Uw Heer heeft een beekje aan uw voet doen ontstaan; en schud de stam van de palmboom naar u toe, deze zal verse, rijpe dadels op u doen neervallen. Eet en drink en koel uw oog. En indien gij iemand ziet, beduid hem dan: ‘Ik heb de Barmhartige gelofte gedaan te vasten; derhalve zal ik heden met niemand spreken.'”

In de Koran zien we dat de anekdote met de palmboom niet wordt geplaatst tijdens de vlucht naar Egypte, maar eerder, direct na de bevalling.  Aangezien de Koran in de zevende eeuw is ontstaan, is niet duidelijk welke van de twee versies ouder is.

  

7.      Melkgrot

Er is bijzondere Byzantijnse traditie met betrekking tot de zgn. melkgrot. Op weg naar Egypte zou Maria met Jezus verbleven hebben in een grot vlakbij Bethlehem. Toen ze daar tijdens het voeden van haar Kind een druppel melk morste, werd de gehele grot wit. Deze grot is een bekende toeristische trekpleister in Israël.

Ook andere plaatsen die verbonden zijn met de Maria, zoals de veronderstelde plaatsen van haar geboorte, overlijden en graf, worden vereerd in Jeruzalem.

  

8.      Latere tradities

Er zijn ook nog andere vertellingen bekend over de periode dat Jezus met Zijn ouders in Egypte is geweest. Daarnaast zien we dat er ook rondom Maria tal van tradities zijn ontstaan. Die zien we voor een groot deel terug in de Rooms-Katholieke kerk en andere (oosters-)orthodoxe stromingen.

Zoals bekend is de viering van het kerstfeest op 25 december een traditie uit latere tijd. De kerstboom met de kerstballen is eveneens duidelijk een latere toevoeging, met heidense oorsprong. Het is in dat kader jammer dat op het Pietersplein in Rome in de kerstperiode een grote kerststal en een grote kerstboom strijden om de aandacht.

  

9.      Tot slot: een lege kerststal?

De gewoonte om een kerststal te maken is al heel oud. Oorspronkelijk stond met kerstmis een kribbe in de buurt van het altaar. Daar kwamen later allerlei figuren bij. Franciscus van Assissi bracht in 1223 een bezoek aan Paus Honorius III. Hij stelde hem voor om een kerststal te maken in zijn woonplaats Greccio. De Paus ging akkoord en Franciscus ging weer terug naar zijn eigen woonplaats. Hij kwam op kerstavond aan. Met behulp van een bevriende kunstenaar maakte hij een kribbe. Daar zette hij een levende os en ezel en spelers om heen. De spelers verbeeldden Jozef en Maria, en er was een klein kind dat in de kribbe werd gelegd. De eerste kerststal was dus een levende kerststal. Sindsdien zijn kerststalletjes overal verspreid geraakt in de christelijke wereld.

Als we nagaan wat nu echt in Mattheüs en Lukas over de geboorte van Jezus geschreven wordt, dan is de kerststal aanzienlijk soberder dan we ons die gemiddeld voorstellen. Geen palmboom. Geen os en ezel. Geen wijzen, en dus ook geen dromedarissen, want die kwamen later pas. Geen ster, want die stond op dat moment niet boven Bethlehem. En het is ook niet waarschijnlijk dat de herders hun schapen meenamen. Alleen Jozef, Maria, Jezus, herders en engelen. En als we daarover nadenken dan denk ik dat die eenvoudige voorstelling ons dichter bij de boodschap van Kerst brengt dan de overdadig aangeklede kerststallen die de aandacht al snel afleiden van datgene waar het echt om gaat.

Aan de andere kant zullen mensen altijd de neiging hebben om de lacunes met hun fantasie op te gaan vullen. Dat is niet erg, als de boodschap van Kerst er maar niet door wordt vertroebeld.

Het is opmerkelijk dat in de theologie van de eerste eeuwen men heeft willen beklemtonen dat zowel Joden als heidenen Jezus vereerden. De os werd het beeld van de Joden en de ezel het beeld van de heidenen. En de herders werden beeld van de Joden en de wijzen beeld van de heidenen.  Zo heeft de kerststal toch een bijzondere betekenis gekregen.

  

Bas Krins – december 2017