Bas Krins

Bijbelgetrouw christen zijn vandaag.

De rampen in de Openbaring aan Johannes en de plagen van Egypte


Inleiding

De kern van de Openbaring aan Johannes omvat een drietal reeksen van zeven plagen, namelijk bij het openen van de zeven zegels, het blazen op de zeven bazuinen en de leeggieten van de zeven schalen.

Het middendeel van de Openbaring aan Johannes is een profetie over de periode tussen de tijd van ontstaan, namelijk eind eerste eeuw, en de eindtijd. Het boek begint met zeven brieven aan zeven gemeenten uit de tijd van schrijven. De zeven gemeenten waren concrete gemeenten uit die tijd, en de brieven zijn aan deze gemeenten gericht.

En de Openbaring aan Johannes eindigt met een beschrijving van de eindtijd. Het patroon dat we zien aan het einde van de Openbaring aan Johannes – namelijk de komst van de Messias, de opstanding van de gelovigen, het aardse rijk van de Messias, de strijd tegen Gog en Magog, de opstanding van de ongelovigen, het oordeel en tot slot het eeuwige rijk - is niets anders dan een herhaling van de toenmalige rabbijnse visie op de eindtijd. Hoewel de beschrijving in de Openbaring aan Johannes relatief kort en ogenschijnlijk onvolledig is, moet het voor de christenen uit de eerste eeuw volledig duidelijk zijn geweest omdat Johannes hier verwijst naar iets dat algemeen bekend was.

Het is belangrijk om te realiseren dat de Openbaring aan Johannes geschreven is voor Joden. Dat blijkt al uit het feit dat zonder veel toelichting naar de bekende eindtijdvisie wordt verwezen. Maar ook het grote aantal verwijzingen naar het Oude Testament – ongeveer 850 maal in de 405 verzen – en naar buitenbijbelse Joodse literatuur – ongeveer 125 stuks – duiden op Joden als doelgroep. Daarnaast was het genre van apocalyptische literatuur onder de Joden goed bekend.

Dit heeft grote consequenties voor de uitleg. En zoals aangegeven richten we ons in dit artikel op de plagen.

 

Vraagstelling

Veel uitleggers wijzen op de overeenkomsten tussen een deel van de plagen uit de Openbaring aan Johannes en de plagen van Egypte. Maar als we iets beter kijken dan beginnen een aantal zaken op te vallen. Waarom komen slechts een aantal plagen terug? En waarom wordt de eerste plaag, waarin water in bloed wordt veranderd, meerdere malen in de Openbaring aan Johannes genoemd? En waarom zien we wel verwijzingen naar de plagen van Egypte in de tweede en derde reeks, maar niet in de eerste? In dit artikel wil ik een eerste aanzet voor een verklaring doen.

 

Benadering

Een stijlkenmerk waarvan zowel in het Oude Testament als in delen van het Nieuwe Testament gebruik wordt gemaakt is de parallellie. In een andere publicatie (B. Krins; Bijbelstudies op basis van een literair-orthodox Joodse benadering van de Bijbel) heb ik laten zien dat we in het Nieuwe Testament deze manier van vertellen met name vinden in delen van het Nieuwe Testament die gericht zijn op Joden. Ook voor de uitleg van de Openbaring aan Johannes blijkt het belangrijk te zijn om te letten op de structuur van de tekst.

 

Eerste vier zegels

De eerste vier zegels horen duidelijk bij elkaar. We zien achter elkaar een wit, rood, zwart en groen paard. Dit is een duidelijke verwijzing naar het achtste visioen in Zach. 6:1-8, waar sprake is van een rood, zwart en wit paard, en een vierde paard waarvan de kleur niet duidelijk is op basis van de Hebreeuwse tekst. De betekenis van deze paarden zien we in het begin van Zacharia. Ze hebben de aarde doorkruist, ‘en zie, de gehele aarde verkeert in volkomen rust’ (Zach. 1:11). Uit het vervolg blijkt de betekenis: God laat de vijanden van het volk Israël nog met rust. Maar er zal een tijd aanbreken waarin God in erbarmen terugkeert tot het huis van Jeruzalem; God zal Jeruzalem nog verkiezen (Zach. 1:16-17). In het achtste visioen gaan de wagens met paarden opnieuw uit naar de vier windstreken. Maar nu komt God met Zijn oordeel over de vijanden van Israël, waardoor de tijd van vrede terugkeert voor het volk in ballingschap, en zij weer kunnen terugkeren naar Jeruzalem. De boodschap is duidelijk. De rampen zijn een inleiding op de bevrijding van de gelovigen.

De kleuren wit, rood, zwart en groen hebben naar mijn inzicht geen bijzondere betekenis. Het zijn gewoon in de oudheid de vier primaire kleuren.

De rampen die beschreven worden bij de eerste drie zegels, namelijk oorlog, oorlog en hongersnood, vormen een verwijzing naar de rede van Jezus over de eindtijd, ook wel de synoptische apocalyps genoemd, waarin eveneens tot twee maal toe gesproken wordt over oorlogen (Mat. 24:6-7). Jezus noemt deze tekenen het ‘begin van de weeën’. Bij het vierde zegel moeten we denken aan de vier gerichten – zwaard, honger, wild gedierte en de pest – die God naar Jeruzalem zal sturen (Ez. 14:21-22).

 

Laatste drie zegels

De laatste drie zegels zijn niet bedoeld om rampen aan te kondigen. Bij het vijfde zegel lezen we hoe de martelaren roepen om vergelding, terwijl bij het zesde zegel natuurverschijnselen aan de hemel en op de aarde de toorn van het Lam aankondigen. Bij de overgang naar het zevende zegel lezen we over een stilte, een teken van het naderende oordeel van God (Hab. 2:20; Zach. 2:13; Zef. 1:7). We lezen vervolgens hoe de gebeden van de heiligen als een reukwerk vanaf het gouden altaar opstijgen en God antwoordt met donder, bliksem en aardbeving. Tekenen die ons doen denken aan de verschijning van God op de Sinaï.

 

Eerste vier bazuinen

De zeven zegels blijken op te delen te zijn in vier plus drie. Bij de zeven bazuinen is dat eveneens het geval. De eerste vier bazuinen verwijzen duidelijk naar de plagen van Egypte.

Een gemeenschappelijk kenmerk van deze vier bazuinen is dat bij deze plagen steeds sprake is van een derde deel dat getroffen wordt (zie Ez. 5 :2,12 ; Zach. 13:8-9). De verwijzingen naar de plagen in Egypte zijn duidelijk: hagel, water dat bloed wordt, en duisternis. Bij de derde bazuin wordt het water niet in bloed veranderd, maar wordt het bitter en daardoor ondrinkbaar. Ook in de psalmen wordt naar de eerste plaag van Egypte verwezen met de opmerking dat het water ondrinkbaar wordt (Ps. 78:44). Door de opmerking dat het water bitter geworden is wordt duidelijk dat het hier gaat om een oordeel van God (Jer. 9:15; 23:15). De reden dat hier de zevende, eerste en negende plaag wordt gebruikt blijkt eenvoudig te zijn. Het is een verwijzing naar de drie elementen uit de oudheid: hemel, zee en aarde. Alle drie worden getroffen door deze rampen. Bij het eerste zegel wordt hagel, vuur en bloed op aarde geworpen waardoor de bomen en het groene gras verbranden. Bij het tweede zegel wordt de zee getroffen, en bij het derde zegel de rivieren en de waterbronnen. En bij het vierde zegel zien we dat de zon, maan en sterren verduisterd worden.

Het feit dat twee maal verwezen wordt naar de eerste plaag van Egypte berust op een Joodse discussie. God draagt aan Mozes op om aan de farao aan te kondigen dat de Nijl veranderd zal worden in bloed zodat het ondrinkbaar wordt (Ex. 7:15-17). Vervolgens lezen we echter dat God aan Mozes opdraagt om Aäron zijn staf te laten opheffen zodat alle rivieren en waterbronnen veranderd worden in bloed. En Mozes en Aäron deden wat de Heer geboden had (Ex. 7:20). In het vervolg lezen we hoe het water van de Nijl zeven dagen ondrinkbaar blijft, maar het wel mogelijk blijkt te zijn om in de omgeving van de Nijl naar drinkwater te graven. We vinden diverse Rabbijnse tradities die discussiëren over het feit dat door middel van Mozes de Nijl veranderd wordt in bloed, en door middel van Aäron alle waterbronnen. Hier in de Openbaring aan Johannes zien we dat bij de tweede bazuin de zee wordt getroffen, en bij de derde bazuin de wateren. Dit is dus een duidelijke parallel met de Joodse tradities.

 

Laatste drie bazuinen

De laatste drie bazuinen horen ook bij elkaar. Dat blijkt al uit het feit dat ze respectievelijk worden aangeduid als de eerste, tweede en derde wee. Hiermee zien we ook dat er kennelijk een toename in de ernst van de rampen geschilderd wordt van de eerste drie rampen bij de eerste zegels, die overeenkomen met wat Jezus noemt het begin van de weeën, naar deze drie bazuinen.

Wat we hier zien is dat het oordeel over de ongelovigen begint. Sprinkhanen die steken als schorpioenen mogen alleen degenen pijnigen die het zegel van God niet op hun voorhoofd hebben staan. Bij de zesde bazuin lezen we hoe een stem uit het gouden altaar komt. Wat nu volgt is een antwoord op de gebeden van de martelaren. De Eufraat wordt drooggelegd en een groot leger op paarden komt om te doden. Een duidelijke verwijzing naar de angst van de Romeinen voor een inval van de Parthen. Bij de zevende bazuin wordt aangekondigd dat de tijd voor de toorn van God over Zijn vijanden en het loon voor Zijn volgelingen is aangebroken. En de beschrijving eindigt met donder, bliksem en aardbeving, nu aangevuld met hagel.

Dit betekent niet dat er geen ellende voor de gelovigen zal zijn tijdens deze drie bazuinen. Bij de tweede wee hoort het visioen van de twee getuigen en bij de zevende wee hoort het visioen van de vrouw en de draak. In deze beelden komen we tijdsuitdrukkingen tegen als 42 maanden (Openb. 11:2), 1260 dagen (Openb. 11:3; 12:6) en ‘een tijd, tijden en een halve tijd’ (Openb. 12:14). Dit is een duidelijke verwijzing naar de periode van de grote verdrukking uit de profetie van Daniël.

 

Eerste vijf schalen

De zeven schalen hebben als doel Gods gramschap te voleindigen. Het woord gramschap of woede wordt in de Openbaring aan Johannes gebruikt om de toorn van de duivel tegen de volgelingen van het Lam aan te duiden (Openb. 12:12; 14:8; 18:3) of omgekeerd de toorn van God tegen de volgelingen van het beest (Openb. 14:10,19; 15:1,7; 16:1,19; 19:15).

De zeven schalen worden niet opgedeeld in vier plus drie, zoals bij de zegels en de bazuinen, maar in vijf plus twee. Ook nu is er een duidelijke overeenkomst tussen de plagen van Egypte en de rampen. Net als in de vorige reeks komen we twee maal de verandering van water in bloed tegen en de duisternis. Bij de eerste schaal wordt beschreven hoe de mensen die het merkteken van het beest hebben zweren krijgen. Dat is ongetwijfeld een verwijzing naar de bestraffing met de ‘zweren van Egypte’ die God als vloek aankondigt (Deut. 28:27). Daarna wordt eerst het water van de zee tot bloed, en vervolgens de rivieren en de waterbronnen. Bij de vierde schaal worden de mensen geplaagd door een grote hitte. Dit verwijst niet naar een plaag van Egypte, maar vormt een contrast met de opmerking bij de beschrijving van de schare die uit de grote verdrukking komt dat zij geen last meer zullen hebben van zon of hitte (Openb. 7:16). Bij de vijfde schaal wordt opnieuw verwezen naar de zweren van de eerste schaal, en wordt ook de duisternis genoemd. Als we deze vijf schalen overzien dan is duidelijk dat ook nu de hemel, zee en aarde worden getroffen, net als bij de eerste vier bazuinen. Als het echter om de aarde gaat dan worden nu niet de bomen en het gras getroffen, maar de mensen. Zowel door zweren als door hitte.

De rampen doen denken aan de rampen bij de zeven bazuinen, maar zijn duidelijk veel erger. Bij de bazuinen wordt steeds een derde deel van de aarde getroffen. Als echter de zee bloed wordt dan sterven alle wezens in zee. Als het water bloed wordt dan drinken de mensen bloed als vergelding voor het doden van de heiligen en de profeten. En de duisternis gaat gepaard met hevige pijn vanwege de zweren.

 

Laatste twee schalen

De laatste twee schalen kondigen geen ramp aan. Bij de zesde schaal wordt de terugkeer uit de ballingschap aangegeven. De combinatie van teksten uit Jes. 11 en Jes. 60 (Jes. 11:15-16 en Jes. 60:3,4,9) komen we evenals in de Openbaring aan Johannes ook in de Psalmen van Salomo (Ps. Sal. 17:31) tegen als aanduiding van de terugkeer uit de ballingschap. En ook in 4 Ezra (4 Ezra 13:13, 39-45) wordt gesproken over het oversteken van de Eufraat bij de terugkeer uit de ballingschap.

De laatste schaal heeft grote overeenkomst met de zevende zegel en de zevende bazuin. We zien donder, bliksem, aardbeving en hagel. De aardbeving is zo groot dat Babylon instort. Een verwijzing naar het vervolg, waarin de val van Babylon uitgebreid wordt beschreven. En de hagelstenen zijn zeer groot.

 

De gebeden van de heiligen

Het thema van de gebeden van de heiligen loopt als een rode draad door de Openbaring aan Johannes. In het tweede hemelvisioen, in de aanloop naar de opening van de zeven zegels, lezen we hoe de vier dieren en de vierentwintig ouderlingen elk een gouden schaal voor reukwerk hebben. Dat reukwerk blijkt de gebeden van de heiligen te zijn (Openb. 5:8). En als we kijken naar de context in de Openbaring aan Johannes dan is duidelijk dat dit de gebeden van de martelaren zijn die roepen om de komst van Gods Koninkrijk waarin Christus zal regeren en een einde zal komen aan de macht van de vijand.

Bij de opening van het vijfde zegel ziet Johannes onder het altaar de zielen van degenen die als martelaar gestorven zijn. Zij krijgen te horen dat ze nog even geduld moeten hebben totdat het getal van de martelaren vol zal zijn (Openb. 6:9). Bij het zevende zegel lezen we hoe een engel met een gouden wierookvat bij het altaar gaat staan. Dat altaar staat voor de tempel. Deze engel krijgt reukwerk dat hij samen met de gebeden van de heiligen op het gouden altaar vóór het Heilige der Heilige in de tempel legt. Vervolgens stijgt de rook van het reukwerk op. Dan neemt de engel het wierrookvat, vult het met vuur van het altaar en werpt het op aarde. Dan komt er bliksem, donderslagen en een aardbeving (Openb. 8:3-5). Dat betekent dat deze verschijnselen niet alleen een teken zijn van Gods aanwezigheid, zoals bij de wetgeving op de Sinaï, maar ook een antwoord op de gebeden van de heiligen.

Bij de zevende bazuin wordt het thema weer opgepakt. De vierentwintig ouderlingen geven aan dat de tijd van Gods toorn gekomen is. Johannes ziet dat de tempel wordt geopend en de Ark van het Verbond zichtbaar wordt. En dan komt er bliksem, donderslagen, aardbeving en hagel op de aarde (Openb. 11:16-19). Ook nu laat God zien dat Hij aanwezig is als antwoord op de gebeden van de heiligen.

Johannes ziet hoe uit de tempel zeven engelen komen. Eén van de vier dieren gaf aan de engelen gouden schalen gevuld met de toorn van God (Openb. 15:5-7). Het getal van de martelaren is vol; God wacht niet langer en komt nu met Zijn oordeel. Stap voor stap lezen we in het vervolg hoe de vijand wordt overwonnen.

 

Conclusies

De Openbaring aan Johannes moet gelezen worden tegen de achtergrond van de vervolgingen door het Romeinse Rijk. Christenen vroegen zich af hoeveel martelaren er nog zouden moeten sterven voordat God ingrijpt en Jezus Christus Zijn rijk opricht. Het antwoord is dat de christenen geduld moeten hebben en moeten volhouden. Er komen tijden van oorlogen en aardbevingen. Er komen rampen die doen denken aan een aantal plagen van Egypte, en er komt zelfs een Grote Verdrukking. Maar dan zal God ingrijpen en zullen de vijanden hun straf niet ontlopen. En daarbij wordt opnieuw het beeld gebruikt van de plagen van Egypte.

Het is duidelijk dat het middendeel van de Openbaring aan Johannes een beeld schetst van de periode tussen de Hemelvaart van Jezus en de wederkomst. Maar het is zeker geen chronologische beschrijving van de geschiedenis. Martelaren waren er al aan het einde van de eerste eeuw, en juist ook in onze tijd zien we hoe het aantal vervolgden van jaar tot jaar blijft toenemen. Natuurrampen waren er altijd al, en inderdaad nemen die toe. De richting is duidelijk, zonder dat we precies kunnen aangeven bij welke zegel of bazuin we nu precies zitten. Opmerkelijk is dat we de laatste decennia zien hoe steeds meer Joden terugkeren naar Israël, iets dat feitelijk pas bij de zesde schaal wordt beschreven.

Pogingen om de huidige geopolitieke situatie naast de Openbaring aan Johannes te leggen geven meer blijk van een creatieve geest dan van zorgvuldige exegese. Voorspellingen die op die manier zijn gedaan zijn nog nooit uitgekomen. Sterker nog, het is een ernstige miskenning van het Joodse karakter van de Openbaring aan Johannes.

 

Bas Krins – mei 2021