Theologische uitgangspunten


Theologie is een bijzondere studie. Het is een erkende wetenschappelijke studierichting, maar daarnaast raakt het aan ons geloof, dat veel meer met een overtuiging dan met wetenschap te maken heeft. Mijn persoonlijke interesse betreft de Bijbeluitleg (exegese), en dan komt men al snel terecht in het spanningsveld tussen wetenschappelijke methode en geloofservaring. Teksten worden soms verschillend geïnterpreteerd, en daarbij kunnen tal van factoren een rol spelen: andere wetenschappelijke uitgangspunten, andere inzichten, maar ook invloeden van bepaalde tradities. Elke theoloog hanteert bepaalde uitgangspunten, maar welke zijn dat voor mij? Regelmatig geef ik aan dat ik een standpunt wil formuleren los van tradities, maar is dat wel mogelijk?

Het gaat hier om heel fundamentele vragen over de betekenis van het geloof en de plaats die de Bijbel daarin neemt.  Wat zijn de uitgangspunten voor het geloof? En voor het lezen van de Bijbel? En voor de theologie? De volgorde van deze drie vragen geven het antwoord al aan. Uitgangspunt is dat God een persoonlijke relatie met ons wil hebben, en dat dit mogelijk is geworden door het bloed van Jezus Christus. Vanuit die relatie lees ik de Bijbel als het Woord van God. Het Woord waardoor Hij tot ons wil spreken. Alleen vanuit dit uitgangspunt kunnen we reformatorische of evangelische theologie bedrijven. Dat lijkt misschien een tegenstrijdigheid. Hoe kun je op wetenschappelijk verantwoorde wijze theologie bedrijven vanuit een subjectief uitgangspunt? Dit is echter minder tegenstrijdig dan het lijkt. Elke wetenschappelijke studie start met uitgangspunten die niet te bewijzen zijn. Zo is het uitgangspunt van de natuurwetenschappen dat alle natuurverschijnselen te beschrijven zijn door middel van onveranderlijke wetmatigheden. En eeuwenlang doen wetenschappers hun best om die wetmatigheden te onderzoeken en beschrijven. Niet zonder succes. Maar wel met als gevolg dat men weigert te accepteren dat dit uitgangspunt weleens discutabel kan zijn. En er dingen kunnen gebeuren die tegen de ons bekende natuurwetten in gaan. Wat dat betreft is er wel een kentering. Vanwege de toenemende belangstelling voor spirituele ervaringen, vaak afkomstig van oosterse tradities, erkennen steeds meer mensen dat er meer is tussen hemel en aarde dan de wetenschap beschrijft. En moderne theologen gaan vaak uit van het uitgangspunt dat de Bijbel niets anders is dan een weergave van het geloof van andere mensen uit andere tijden, waarmee we onze eigen ervaringen kunnen vergelijken. Ook dat is een niet te bewijzen subjectief uitgangspunt, die niet méér wetenschappelijk is dan mijn uitgangspunt. Dit betekent voor mij dus dat de theologie begint met een persoonlijke relatie met Jezus. En de ervaring dat de Bijbel het Woord van God is.

Maar dan. Als er teksten zijn die minder duidelijk zijn. Of waar verschil van inzicht over is onder bijbelgetrouwe christenen. Hoe ga ik daar dan mee om? Vanuit mijn studie over de uitleg van de Openbaring aan Johannes ben ik tot de conclusie gekomen dat het uitgangspunt voor de uitleg van een Bijbeltekst is: elke tekst is door de eerste hoorders of lezers begrepen. En daar moet ook voor ons het uitgangspunt gezocht worden. Daarmee houdt de uitleg natuurlijk niet op. Met name voor teksten uit het Oude Testament die een vervulling hebben in de komst van de Messias, of die betrekking hebben op de Eindtijd, levert het Nieuwe Testament vaak gegevens op die in de uitleg meegenomen moeten worden. Vandaar dat ik in mijn Bijbelstudies zeer veel nadruk leg op het belang van verwijzingen van het Nieuwe Testament naar het Oude Testament. Dit uitgangspunt is niet evident. Bijvoorbeeld in de reformatorische theologie is de exegese van de Openbaring aan Johannes sterk beïnvloed door de traditie. In de vierde eeuw heeft men in de regering van Keizer Constantijn een vervulling van het 1000-jarig rijk gezien. Hoewel men dat nu niet meer zo ziet, heeft dit er wel toe geleid dat men nu veelal het 1000-jarig rijk leest als de periode vanaf de Hemelvaart tot de wederkomst. Of in elk geval iets dat in die periode dan hier dan daar te zien is. Voor een letterlijke interpretatie is geen plaats. Veel evangelische theologen zijn beïnvloed door een andere traditie, het dispensationalisme dat opgekomen is vanaf 1830. Dat leidt ook tot een bepaalde interpretatie van het 1000-jarig rijk. Als we gaan echter gaan lezen in Rabbijnse bronnen, dan blijkt de beschrijving van de wederkomst, het 1000-jarig rijk, de strijd tegen Gog en Magog enz. in de Openbaring aan Johannes volledig overeen te komen met de gebruikelijk Rabbijnse interpretatie van de eindtijd. Dit betekent dat er weinig twijfel kan bestaan over het antwoord op de vraag hoe de eerste lezers deze ogenschijnlijke moeilijke passage hebben gelezen. En wij? Moeten we nu stellen dat de eerste christenen het fout hadden met hun manier van lezen, en kiezen voor een bepaalde traditie? Mijn stelling is: nee.

Juist als het gaat om de uitleg van de Openbaring aan Johannes lopen evangelische en reformatorische uitlegging vaak sterk uiteen. Dat heeft me altijd zeer geïntrigeerd. Jarenlang heb ik geprobeerd de tekst te lezen vanuit de gedachte: hoe zou iemand aan het einde van de eerste eeuw dit hebben begrepen. Vanuit dit uitgangspunt bleek de uitleg van dit Bijbelboek relatief eenvoudig te zijn. Er worden zeer veel verwijzingen naar het Oude Testament gemaakt, die wij gewoonlijk niet allemaal paraat hebben. Dus moeten we wat bladeren in onze Bijbel om die verwijzingen in hun oorspronkelijke context te lezen. En er worden nogal wat verwijzingen gedaan naar Joodse tradities, die we kunnen opzoeken. Maar vervolgens blijkt er erg weinig twijfel te kunnen bestaan over de boodschap van de Openbaring aan Johannes zoals die bedoeld is.

Na mijn studie van de Openbaring aan Johannes heb ik op vergelijkbare wijze andere teksten uit de Bijbel bestudeerd. Consequent heb ik gezocht naar informatie die kan helpen om te begrijpen hoe een tekst is begrepen door de eerste lezers. Studie van de taal van de Bijbel (Hebreeuws, Aramees, Grieks), studie van de Joodse achtergronden bij bepaalde teksten, archeologische en historische informatie. En veel aandacht voor de verwijzingen van het Nieuwe Testament naar het Oude Testament.

Negeer ik dan de traditie? Nee, natuurlijk niet. Eeuwenlang hebben tal van gelovige theologen nagedacht over de betekenis van het Woord van God. Het zou dwaas zijn om dat te negeren. Want het is natuurlijk niet alleen van belang om te begrijpen wat een Bijbeltekst betekent, maar ook wat het voor ons betekent, wat wij ermee kunnen doen. En voor dit laatste kan het zeer zinvol zijn om te lezen hoe andere theologen met een bepaalde tekst zijn omgegaan.

Ook realiseer ik me dat de wijze waarop we bijvoorbeeld de diensten invullen sterk bepaald is door traditie. En daar is niets mis mee. Maar zodra het gaat om de uitleg van de Bijbel, om de exegese, dan zoek ik naar de betekenis van de tekst waarbij ik me niet wil laten beïnvloeden door de traditie. En dat is zeer wel mogelijk.

Toepassen van de uitgangspunten zoals hiervoor omschreven maken het voor mij mogelijk om mijn weg te vinden op momenten dat over bepaalde teksten of onderwerpen de standpunten van reformatorische en evangelische tradities uit elkaar lopen. Daarbij moet worden aangetekend dat dit maar af-en-toe het geval is. Er zijn een paar bekende zaken als de doop en de Eindtijd waarover men van mening verschilt, maar er is in het algemeen meer overeenkomst dan verschil. In de praktijk blijk ik uit te komen bij een standpunt die min of meer het midden houdt tussen evangelisch en reformatorisch. Te denken is aan theologen als J.I. Packer, D. Pawson, de schrijvers van de Evangelische Dogmatiek en van de Studiebijbel. Allemaal theologen die sterk vanuit de exegese van de Bijbel zelf denken.

Nog één slotopmerking. Als theoloog moeten we ook durven zeggen: ik weet het niet. Wat de Bijbeltekst wil zeggen is in minstens 95% van de gevallen duidelijk. Maar in een paar procent van de teksten van de Bijbel moeten we ook eerlijk durven zeggen dat de betekenis niet geheel duidelijk is. Er zijn voorbeelden waarin archeologische vondsten of buitenbijbelse bronnen ons helpen om een tekst te begrijpen. In enkele gevallen is het heel goed denkbaar dat we helaas die informatie missen om precies te begrijpen wat er bedoeld wordt.

Tot slot wil ik ook de exegese enigszins relativeren. Voor iedereen die de Bijbel leest is duidelijk wat nodig is voor ons behoud. Daar hoeft men niet voor doorgestudeerd te hebben. Maar na de melk komt het vaste voedsel, en daarna – om even in het beeld te blijven – de echte culinaire hoogtepunten. Waar ik me bezig houd is dat laatste. Ik ervaar dat als zeer opbouwend voor mijn geloof, maar ik kan goed begrijpen dat dit niet voor iedereen geldt.

           


Bas Krins - januari 2016