Preek over psalm 84 (oudejaarsavond)

Lezen: Psalm 84

   

De laatste avond van het jaar is een moment waarop velen van ons geneigd zullen zijn om terug te kijken. Wat is er het afgelopen jaar allemaal gebeurd? Fijne dingen, verdrietige zaken. Hoogtepunten en dieptepunten. Een jaar waarin kinderen zijn geboren in de gemeente. Een jaar waarin mensen zijn overleden. Een jaar waarin mensen belijdenis van hun geloof hebben mochten afleggen, een jaar waarin we mensen zich hebben laten schrappen uit de ledenlijst. Een jaar waarin de een blij is weer een jaar dichter bij het felbegeerde schooldiploma te zijn, en de ander ervaart dat het ouder worden met problemen gepaard gaat. Een jaar met bergen en dalen, woestijnen en oases.
Toen ik zocht naar een tekst voor de preek van vanavond, viel het me op dat in de Bijbel nooit op deze wijze terug gekeken wordt naar een periode die voorbijgegaan is. Met plussen en minnen. Zegeningen en tegenslagen. Als teruggekeken wordt, dan wordt altijd gekeken naar het verleden vanuit Gods perspectief. Geschiedenis staat altijd in het licht van Gods weg. In het perspectief van Gods handelen. Gods handelen in de geschiedenis. Gods handelen met Zijn volk Israël. Gods handelen met zijn volgelingen. Dat is de wijze waarop de Bijbel omgaat met het verleden. Dat is de wijze waarop ook wij in deze dienst willen terugkijken naar het jaar 2009.

Het leven van een mens op deze wereld wordt vaak vergeleken met een weg die we afleggen. Een weg met een duidelijk doel, namelijk het hemelse Jeruzalem. Het is een Bijbels beeld, waar we ook vanavond bij stil willen staan.
Vanavond willen we kijken naar de weg die achter ons ligt, en de weg die voor ons ligt. Vanuit het perspectief van een pelgrim die op weg is naar Jeruzalem.

Psalm 84 is een pelgrimslied. We vinden er daar verschillende van in de Bijbel. Denk aan de reeks van psalm 120 tot en met psalm 134. Ook afgelopen zondagochtend hebben we mogen luisteren naar een pelgrimslied. Liederen die gezongen zijn door pelgrims op weg naar de tempel in Jeruzalem. Een vrome jood ging minimaal drie maal per jaar naar Jeruzalem. Met het Pesachfeest, het Wekenfeest en het Loofhuttenfeest. Maar ook buiten die feesten om ging men wel naar de tempel toe. Om vrijwillige offers te brengen, bijvoorbeeld. We kunnen het ons nu niet meer voorstellen, maar een dergelijke reis was toch een hele onderneming. Lopend, over paden die lang niet altijd eenvoudig begaanbaar waren. Met gevaar voor berovingen onderweg. In de regen of de verzengende hitte. Een reis waar je best tegenop kon zien. We zien daar iets van in deze psalm als gesproken wordt over een dor dal waar men door heen moest. Opvallend is hoe vaak in de andere pelgrimsliederen gesproken wordt over vijanden. En over het verwachten van hulp van God.

Als de schrijver van Psalm 84 zingt van de pelgrimsreis, dan begint hij te beschrijven hoe het is in de tempel. Het doel van zijn reis. De tempel is voor hem niet nieuw. Hij is er vaker geweest. En hij verlangt ernaar om er opnieuw naar toe te gaan. Hij ziet uit naar zijn aanwezigheid op de voorhoven van de tempel. Met hart en ziel verlangt, ja smacht hij ernaar om daar te zijn. Het valt op hoe intens het verlangen is. Op ons kan het bijna als overdreven overkomen. Maar ik hoop dat we kunnen begrijpen waarom. De tempel was de plek bij uitstek waar de aanwezigheid van God werd gezien en ervaren. Daar woonde God. Daar werd de genade van God zichtbaar in de tempeldienst. De tempel was de plek die God Zelf had uitgekozen om aanwezig te zijn. Door de tempeldienst werd op bijzondere wijze zichtbaar hoe God Zijn volk liefhad. Door de tempeldienst werd duidelijk dat God in Zijn genade de zonden van het volk wilde verzoenen.
De geweldige begeerte die de dichter heeft om bij God te zijn is opvallend. Eigenlijk zou hij wel altijd in de tempel willen zijn, er nooit meer weg willen gaan. Hij benijdt de vogels die permanent in de tempel wonen. De vogels die daar hun nest hebben gebouwd. Die daar ongestoord bivakkeren. En hij is bijna jaloers op de priesters die voortdurend aanwezig zijn in de tempel. Die voortdurend God dienen.

En natuurlijk, voor ons ligt dat anders. Wij leven immers in de tijd na Pinksteren. God woont niet in een tempel die met handen is gemaakt. God woont niet in een aards gebouw. God is niet gebonden aan tijd of plaats. Dankzij de uitstorting van de Heilige Geest is God overal waar mensen Hem zoeken. In de kerk als het Woord wordt bediend. Als mensen rondom het Woord van God bij elkaar zijn. Daar waar twee of drie vergaderd zijn in Zijn Naam, daar is Hij in het midden, leert ons de Bijbel. Als we God zoeken in gebed, of door het bestuderen van de Bijbel, dan is God door Zijn Heilige Geest aanwezig.
Maar dat neemt niet weg dat we iets van deze dichter kunnen begrijpen. Als we hebben gezien hoe geweldig God is, hoe lief Hij ons heeft, hoe Hij voor ons wil zorgen, dan gaan we ernaar verlangen om daar meer van te merken. Wellicht herkennen we dat. Dat we iets van God ervaren in de erediensten. En dan zeggen: wat jammer dat er maar twee diensten op zondag zijn. Ik herinner me nog dat toen ik als tiener bewust tot geloof kwam, ik af en toe drie keer per zondag naar de kerk ging. De ene gemeente had ’s middags dienst, de andere ’s avonds en zo kon ik drie keer per zondag naar de kerk. Overdreven? Misschien, maar meer dan dat staat me nog steeds bij hoe ik toen onder de indruk gekomen ben van het werk van Gods Geest.
Hetzelfde kan ons overkomen als we echt iets van God hebben gezien door samen met anderen doordeweeks de Bijbel te bestuderen. En dan zeggen: jammer dat we dit niet elke week hebben. Of dat we bemoedigd worden door het zelf lezen in de Bijbel. En dan bij onszelf denken: waarom doe ik dit niet vaker. Overdreven? Luister dan eens naar deze dichter. Hij wil wel elke dag in de tempel zijn. Wonen in het huis van God, voortdurend God loven. Overdreven? Nee toch? Als we de Geest van God hebben ervaart in het samenkomen in de gemeente, in het samenzijn met andere christenen rondom Zijn Woord, in persoonlijk bidden en Bijbellezen, dan verlangen we toch naar meer?
Als ik bezig ben met me te verdiepen in Gods Woord ter voorbereiding op een preek, of ter voorbereiding op een Bijbelstudie, dan heb ik regelmatig het gevoel: dit wil ik elke week doen. Me zo verdiepen in Gods Woord. En stapje voor stapje meer zien en begrijpen van de liefde van God voor ons.

Natuurlijk, we hebben verplichtingen waardoor onze tijd beperkt is. Deze dichter zal ook zijn verplichtingen thuis hebben gehad. Werk. Gezin misschien. En net als al die anderen zal ook hij slechts af en toe naar de tempel gegaan zijn. Maar dat neemt niet weg dat Hij met hart en ziel verlangt om daar te zijn waar hij op bijzondere wijze God kan ontmoeten.

De dichter blijft niet stilstaan bij het beeld van het aanwezig zijn in de tempel. Hij beseft waar het in feite echt om gaat. ‘Welzalig de mensen van wie de sterkte in u is’. Het gaat er om dat we ons vertrouwen stellen op God. Ook voor deze pelgrim was het slechts af en toe mogelijk om in de tempel te zijn. Uit alles blijkt dat hij er wel altijd wil zijn, maar dat is niet mogelijk. En dan is het alsof hij wil zeggen: ‘maar daar gaat het ook eigenlijk niet om’. Veel belangrijker dan aanwezig te zijn in de tempel van God, is dat God aanwezig is in het leven van de gelovige. Het gaat erom dat de gelovige zijn sterkte in God vindt. Of, om het meer eigentijds te zeggen: het gaat erom dat we niet vertrouwen op eigen kracht, maar dat we in alles vertrouwen op God. Want dan is God altijd dichtbij. Dan weten we dat we nooit zonder Hem hoeven te zijn.

Na deze inleiding heeft de pelgrim het over de weg die hij moet gaan naar Jeruzalem. Een weg waar je tegen op kunt zien, omdat die voert door een dor dal. In onze vertaling staat dat het een dal van balsemstruiken is. De vertaling is wat onzeker, maar het is duidelijk dat het een dor dal geweest moet zijn. Geen pretje om doorheen te moeten. Maar door ervaring weet de dichter het, dat als het vertrouwen op God gesteld wordt het dorre dal veranderd wordt in een dal waarin het groen opkomt. Net zoals in het najaar door de eerste regen overal groen opkomt. Het dal is en blijft even dor. Ogenschijnlijk is er helemaal niets veranderd. Maar toch, omdat het vertrouwen op God gesteld wordt, is het alsof het dorre dal veranderd is in een bloeiend dal door een frisse regen.
Ook velen van ons kijken terug in het afgelopen jaar op moeilijke dingen. Mensen die overleden zijn in de naaste kring van familie of bekenden. Het gaat slecht op het werk. Baan kwijtgeraakt. De ouderdom komt met gebreken, en men heeft het gevoel steeds meer in te moeten leveren. Een ernstige ziekte. En zo kunnen er tal van dingen zijn waar we met pijn aan terugdenken. Wat is het dan geweldig als we mochten ervaren dat in al die moeiten en verdriet, in al die zorgen, God erbij was. En dat door die aanwezigheid van God die dorre dalen toch werden als een oase. Dat daar waar wij geen uitweg meer zagen, God toch een uitweg heeft gegeven. Zo gaat de pelgrim van kracht tot kracht verder. Niet van dor dal naar dor dal. Maar van kracht tot kracht, omdat God hem kracht geeft om door die dorre dalen heen te komen.

Deze psalm is de eeuwen door gezien als een beschrijving van de reis van een christen naar de eeuwigheid. En terecht. Tal van christenen zijn bemoedigd door dit beeld van de pelgrim die door een dor dal gaat op weg naar Jeruzalem. Maar dit neemt niet weg het feitelijk hier niet gaat om een eenmalige reis naar Jeruzalem, maar dat de pelgrim vele tientallen malen in zijn leven in de tempel kwam. En dat hij kracht put uit de ervaring van Gods aanwezigheid die hij in de tempel heeft mogen ervaren. Niet voor niets begint de psalm met aan te geven hoe geweldig het is om te jubelen in de voorhoven van de tempel van God. Die ervaring, die helpt de pelgrim om ook in zijn kracht in God te zoeken. Als we Gods aanwezigheid ervaren in de kerk, als we Gods aanwezigheid ervaren in gezamenlijke of persoonlijke Bijbelstudie, als we Gods aanwezigheid ervaren in het gezamenlijke of persoonlijke gebed, dan mogen we daar kracht uit putten om ook als het dal dor is onze kracht van hem te verwachten. Het is goed om daarom ook te zoeken naar die momenten waarop we God kunnen ervaren.

De pelgrim spreekt uit ervaring. En dat geeft hem vertrouwen voor de volgende keer dat hij door het dorre dal moet. Maar twee dingen vallen op in het laatste deel van de psalm. Het eerste is wat staat in vers 9. ‘Here, hoor mijn gebed’. Hij vertrouwt erop dat God ook in de toekomst hem nabij zal zijn, maar realiseert zich dat dit niet vanzelfsprekend is. Het is de genade van God, en daarom bidt hij er om. In de wetenschap dat God dat gebed zal verhoren. Dat vertrouwen in Gods verhoring blijkt uit de hele psalm.
Het tweede dat opvalt, is dat de dichter begrijpt dat het dienen van God, het stellen van het vertrouwen op God niet kan samengaan met het leiden van een leven los van God. Hij weet dat hij leeft temidden van mensen die God niet willen kennen. Daarom wil hij ook liever één dag in de tempel zijn dan 1000 dagen erbuiten. Daarom staat hij ook liever in een ver hoekje in de tempel, dan dat hij temidden van de goddelozen verblijft. Inderdaad, God geeft genade en ere, God geeft het goede. Maar de dichter beseft dat dit wel betekent dat God van een ieder vraagt om onberispelijk te leven. De dichter van deze psalm zal beseffen dat niemand zonder zonde is. Dat besef was ook in het Oude Testament nadrukkelijk aanwezig. Maar dat neemt niet weg dat dit wel datgene is waar God om vraagt. Om temidden van zondaars te leven naar Gods wil.

Ook voor ons is dit een punt om even stil bij te staan. De dichter leefde in een tijd waarin je eerder geneigd zou zijn om te spreken over het feit dat je omringt bent door gelovigen, dan dat je je zorgen maakt om de ongelovigen die er in het land zijn. Maar nee, deze dichter wijst op de ongelovigen uit zijn omgeving. En spreekt de wens uit om niet door hen besmet geraakt te worden, maar juist onbesmet te willen wandelen. Voor ons is de situatie niet gunstiger. Integendeel. Als christenen vormen we een kleine minderheid, en we worden omringd door mensen die God niet willen dienen. Het gevaar om besmet te worden met dingen die niet passen in het leven van een gelovige is zeer groot. Ook voor ons als kerkgangers.
Als christenen worden we steeds meer in een hoekje gedrukt. Christenen die in de verzorging werken kunnen knel komen te zitten met hun geweten als het gaat om zaken als abortus en euthanasie. Het lijkt erop dat scholen door de overheid steeds meer wordt voorgeschreven hoe ze moeten denken over homoseksualiteit, over vrije seks, en meer van dat soort zaken. Een christelijke ambtenaar van de burgerlijke stand mag niet meer weigeren om een homohuwelijk in te zegenen. Steeds meer instellingen die aan maatschappelijke dienstverlening doen vanuit een christelijke identiteit krijgen problemen met het aanvragen van subsidie. In verschillende steden worden winkels gedwongen om open te zijn op zondag. En om dichter bij huis te blijven: vanwege zijn christelijke identiteit mag het Leger des Heils in Emmen geen kledinginzamelcontainers meer neerzetten. De maatschappij keert zich steeds meer tegen de volgelingen van Jezus Christus. We worden steeds meer gedwongen om openlijk onze keuzes te maken. Wat doen wij? Blijven we anonieme christenen, of durven we partij te kiezen? En dat geldt ook voor de levensstijl om ons heen. We merken hoe samenwonen vanzelfsprekend wordt. Overmatig alcoholconsumptie lijkt heel gewoon te zijn. En wat doen wij als christenen? Bieden we weerstand tegen de verleidingen?

In deze psalm wordt een verbinding gelegd tussen de begeerte om onberispelijk te wandelen en de genade en eer die God geeft. Dat klinkt ons wellicht als onreformatorisch in de oren. Genade wordt toch gegeven, niet verdiend? We kunnen toch niet door onze levensstijl de genade van God verdienen? Maar dat is ook niet wat de psalmist hier bedoelt. Nogmaals, lees hoe de psalm begint. De dichter heeft de aanwezigheid van God ervaren in de tempel. Hij heeft ervaren dat God dorre dalen maakt tot oases door Zijn aanwezigheid. Hij heeft gemerkt dat God gebaande wegen geeft als de gelovige op Hem vertrouwt. Hij heeft ervaren dat het veel en veel beter is om daar te zijn waar God ontmoet wordt, dan daar te zijn waar de goddelozen verblijven. En dan, dan kan het toch niet anders of je wilt ver, ver weg blijven van de wegen die van God afdwalen. Dan wil je toch niet anders dan onberispelijk wandelen. Dicht bij God. Zodat je ervaart dat God een zon is om ons te beschijnen en een schild tegen alle gevaren.

Ik hoop dat we iets herkennen van de dichter van deze psalm. De dichter, die zo verlangt naar de aanwezigheid van God. Die uit ervaring kan spreken over dorre dalen die door Gods aanwezigheid worden als groene dalen. Maar als dit ver van ons staat, als we hier niets of nauwelijks iets van herkennen, dan hoop ik dat we in de goede zin van het woord jaloers geworden zijn. Dan hoop ik dat we door deze psalm gestimuleerd worden om na te denken over ons leven. Stellen we ons vertrouwen op God? Zoeken we ernaar om onbesmet door de wereld te wandelen? Zoeken we naar gelegenheden om God te ontmoeten?
We mogen weten dat Jezus Christus gestorven is voor onze zonden, als we op Hem ons vertrouwen stellen. Maar God wil niet alleen dat we dat belijden, maar God wil dat we heel ons leven in Zijn hand leggen. Dat we in alles op Hem vertrouwen. In kleine en grote zorgen. Dat we in vreugde en verdriet altijd dicht bij Hem willen zijn. Misschien klinkt u dat net zo overdreven in de oren als de dichter van deze psalm die eigenlijk altijd in de tempel zou willen zijn. En toch hoop ik dat we gaan meevoelen en meezingen met deze psalmist.

Juist als we Hem zoeken, dan ervaren we dat God het goede geeft aan ons. Het goede, dat betekent niet altijd voorspoed. Dat betekent niet altijd zonder pijn. Zonder problemen. Zonder moeite. Maar wel altijd met Gods aanwezigheid. Velen van ons hebben daarvan mogen getuigen in het afgelopen jaar. Hoe God aanwezigheid was. Ondanks… ja ondanks alles wat ons overkomen is. En ja, dat geeft ook vertrouwen voor het jaar dat voor ons ligt. God zal ook in het komende jaar bij ons zijn. God zal bij ons zijn in vreugde en verdriet, in hoogtepunten en dieptepunten. Als een zon en als een schild. Welzalig de mens die op God vertrouwt. Zo eindigt deze psalm. Zo wil ik ook eindigen.

Amen