Overzicht van de Openbaring aan Johannes


De Openbaring aan Johannes wordt door velen ervaren als een moeilijk toegankelijk boek. Door de veelheid aan beelden is het lastig om de grote lijn vast te houden. Daarom wordt in dit artikel een overzicht gegeven van de inhoud [1]. Voor het begrijpen van de grote lijn is het belangrijk om te zien dat dit Bijbelboek een zeer zorgvuldig gekozen opbouw heeft met parallellen aan de apocalyptische teksten uit Jesaja, Ezechiël, Daniël en Zacharia en met een parallel aan de rede van Jezus Christus over de toekomst [2]. Hét doel van de Openbaring is het antwoord geven op de vraag naar de vervulling van de onvervulde profetieën.

De Openbaring aan Johannes heeft een opvallende structuur. Tot vier maal toe is er sprake van een reeks van zeven: zeven brieven, zeven zegels, zeven bazuinen en zeven schalen. En drie maal wordt het verhaal onderbroken door twee intermezzo’s. Samengevat ziet de opbouw er als volgt uit:

 

Inleiding

·     1 inleiding: Jezus Christus toont Zich

·     2-3 de zeven brieven: de Heilige Geest spreekt tot de gemeenten

·     4 eerste hemelvisioen: God op Zijn troon in de hemel

 

Rampen en vervolgingen

·     5 tweede hemelvisioen

·     6:1-8 eerste vier zegels, vier paarden (de eerste drie zegels vormen het begin van de weeën)

·     6:9-17 vijfde en zesde zegel

intermezzo:

  • 7:1-8 de verzegelden uit Israël
  • 7:9-17 de schare uit alle volken in de hemel

·     8:1-5 het zevende zegel (loopt uit op de zeven bazuinen)

 

De Grote Verdrukking

·     8:6-13 eerste vier bazuinen

·     9:1-12 eerste wee = vijfde bazuin

·     9:13-21 tweede wee = zesde bazuin

intermezzo:

  • 10 het geopende boek: prediking tot alle volken
  • 11:1-14 de twee getuigen: prediking tot de Joden

·     11:15-19 derde wee = zevende bazuin

intermezzo:

  • 12:1-17 de vrouw en de draak: bescherming van de Joden
  • 12:18-13:18 het beest uit de zee en het beest uit de aarde: ver­zegeling van de gelovigen uit alle volken

 

Christus komt

·     14:1-5 het Lam en de vrijgekochten: de eerstelingen uit Israël

·     14:6-20 het oordeel aangekondigd

·     15-16 de zeven schalen: Gods gramschap tegen Zijn vijanden

·     17:1-19:5 de val van Babylon

·     19:6-21 de overwinning van het Lam:

      ·     19:6-10 de bruiloft van het Lam 

      ·     19:11-16 de komst van Jezus Christus  

      ·     19:17-21 het beest uit de aarde en het beest uit de zee over­wonnen

 

Het aardse rijk van Christus

·     20:1-6 het 1000-jarig rijk

·     20:7-15 het oordeel

 

Het eeuwige rijk

·     21:1-8 de nieuwe hemel en de nieuwe aarde: God woont onder de mensen uit alle volken

·     21:9-22:5 het nieuwe Jeruzalem met de namen van de 12 zonen van Israël op de poorten

 

Slot

·     22:6-21 Afsluiting

 

 

Aan de hand van deze opbouw wordt nu een samenvatting gegeven van de inhoud van de Openbaring aan Johannes.

 

Inleiding

·     inleiding: Jezus Christus toont Zich

Het Bijbelboek begint met een aanhef die gebruikelijk was voor een brief: afzender, geadresseerde en zegenbede. In hoofdstuk 1 wordt een verschijning van Jezus Christus beschreven [3]. Hij wandelt tussen zeven kandelaren, die een beeld vormen van de zeven gemeenten in Klein-Azië waaraan de brief gericht is. Zijn verschijning is indrukwekkend: een gouden gordel, ogen als een vuurvlam, voeten als koper en een machtige stem.

 

·     de 7 brieven: de Heilige Geest spreekt tot de gemeenten

In de zeven brieven aan een zevental gemeenten in Klein-Azië horen we wat de Geest tot de gemeenten zegt (2 en 3). Alle brieven hebben dezelfde opbouw:

  •  'En schrijf aan de engel van de gemeente te ...'
  • 'Dit zegt ...' plus een aanduiding van Jezus Christus, met een ver­wij­zing naar een tekst uit hoofdstuk 1
  • 'Ik weet ...' plus een aanduiding van een te prijzen element binnen de gemeente
  • 'Maar Ik heb tegen u ...' plus een vermaning
  • 'Wie een oor heeft, die hore, wat de Geest tot de gemeenten zegt'
  • 'Wie overwint ...' plus een belofte

Bij de brief aan de gemeente van Smyrna en van Filadelfia ontbreekt de vermaning. Bij de brief aan de gemeente van Sardes en van Laodicea komt wel de uitdrukking 'Ik weet ..' voor, maar zonder aanduiding van iets dat te prijzen is binnen deze ge­meen­te, en ontbreekt ook de zin 'Maar Ik heb tegen u ...'. Er zijn dus twee gemeenten die in positieve zin zich onder­­scheiden en twee gemeenten die zich in negatieve zin onder­schei­den. Bij de andere drie gemeenten – Efeze, Pergamum en Tyatira – komen zowel positieve als negatieve punten aan de orde.

 

·     eerste hemelvisioen: God op Zijn troon in de hemel

In het eerste hemelvisioen (4 [4]) zien we God op Zijn troon zitten met een regenboog er omheen. Op 24 tronen eromheen zitten 24 oudsten met witte kleren en gouden kronen. En verder zitten er vier dieren voor en om de troon van God. Deze dieren verwijzen naar Ezechiël, waaruit blijkt dat deze dieren cherubs zijn [5]. In dit hemel­visioen ziet Johannes als teken van hoop reeds de over­win­naars in de hemel, voordat hij de rampen die op aarde zullen uit­bre­ken in visioenen krijgt te zien.

Zo begint de Openbaring aan Johannes met Jezus Christus, de Heilige Geest en God.

 

 

Rampen en vervolgingen

·     tweede hemelvisioen

Dit deel begint met het tweede hemelvisioen (5). Johannes ziet in de hand van God, Die op de troon zit, een boekrol die van binnen en van buiten beschre­ven is. De boekrol is verzegeld met zeven zegels. De inhoud van deze boekrol wordt uit het vervolg duide­lijk. Het omvat de geschiedenis zoals deze onthuld wordt bij de opening van de zeven zegels. In het boek Daniël wordt aan­ge­ge­ven dat de dingen die aan het einde van de ge­schie­denis zullen gebeuren, ver­ze­geld zijn tot de eindtijd [6]. Het openbreken van de zegels in de Open­baring aan Johannes geeft aan dat die eindtijd nu aange­broken is. Degene Die waardig is de boekrol te openen is Jezus Christus, die met drie aanduidingen wordt beschreven. In de eerste plaats is Hij de leeuw uit de stam Juda. Dit verwijst naar de profetie van de Messias die Jacob aan het einde van zijn leven heeft uitgesproken [7]. Vervolgens wordt Hij de wortel van David genoemd. Deze uitdruk­king komt herhaal­delijk in het Oude Testa­ment voor als aanduiding voor de Messias [8]. Dan ziet Johannes een Lam als geslacht. Deze uit­drukking komt uit Jesaja en Jeremia, en is de derde aan­duiding in dit hoofdstuk van de Messias [9]. Het Lam heeft zeven horens en zeven ogen. Dit laatste ver­wijst naar het vijfde visioen van Zacharia waarin Zacharia een kandelaar ziet met zeven lampen en twee olijfbomen [10]. Het Lam [11] wordt aanbeden door de vier dieren en de 24 oudsten die elk een gouden schalen met de gebeden van de heiligen hebben: de ge­be­den om de komst van de Messias, en de afrekening met de vijanden van Jezus Christus. De betekenis van dit visioen is dat Jezus Christus door Zijn heilswerk een nieuwe fase in de geschiedenis heeft ingeleid.


·     eerste vier zegels, vier paarden

Na het hemelvisioen komen de eer­ste vier zegels met de vier paarden (6:1-8 [12]). De achtergrond van het beeld van de vier paarden vormt het achtste (en laatste) visioen van Zacharia [13]. In een gezicht ziet Zacharia vier wagens. Voor de eerste wagen stonden rode (NBV: voskleurige) paar­den, voor de twee­de zwarte, voor de derde witte en voor de vierde paar­den waarvan de kleur niet genoemd wordt [14]. Deze wagens gaan uit naar de vier windstreken, dus over de gehele aarde. De betekenis is dat God met Zijn oor­deel over het Noorderland (Babylon) zal komen, waardoor de tijd van vrede terugkeert voor het volk in balling­schap, en zij weer kun­nen terugkeren naar Jeruzalem [15]. De eerste drie paar­den kon­digen rampen aan die parallel zijn met Matteüs 24: oor­lo­gen en geruchten van oorlogen (wit paard), volk zal op­staan tegen volk en koninkrijk tegen koninkrijk (rood paard) en er zullen hongers­noden komen (zwart paard). Deze rampen worden door Jezus Christus het begin van de weeën genoemd [16].


·     vijfde en zesde zegel

Dan volgen het vijfde en zesde zegel (6:9-17). Het vijfde zegel laat zien wat Jezus Christus voorspelt in Matteüs 24: ‘Dan zullen zij u over­le­ve­ren aan ver­drukking en zij zullen u doden, en u zult door alle volken gehaat worden omwille van Mijn naam’ [17]. Johannes ziet de zielen van de martelaren onder het brand­offeraltaar [18]. De zielen roepen om wraak op de vijanden. Ze krij­gen te horen dat eerst het getal van de martelaren vol moet zijn, voordat God Zich zal wreken op hun vijanden. Het zesde zegel gaat gepaard met beelden die wijzen op rampen ge­richt met name tegen de vijanden van God. We lezen dat de zon zwart wordt als een haren zak en de maan als bloed. Dit is een verwijzing naar onder andere de profetie van Joël, die door Petrus wordt aangehaald op de Pinksterdag [19] . Deze tekst handelt over het afrekenen van God met Zijn vijanden [20].

 

          intermezzo:

         ·  de verzegelden uit Israël

         ·  de schare uit alle volken in de hemel

Het verhaal wordt nu onderbroken door een tweetal visioenen over de ver­ze­gel­den uit Israël (7:1-8) en de schare in de hemel (7:9-17).

Het visioen over de verzegelden (7:1-8) laat zien hoe de gelovigen een bij­zondere be­scherming krijgen tijdens de Grote Verdrukking (parallel aan Matteüs 24 [21] en Daniël 12 [22]). Het ver­zegelen heeft een parallel in Ezechiël. Ezechiël ziet in een visioen hoe God aan vijf (of zes) mannen de opdracht geeft de inwoners van Jeru­zalem te doden, te beginnen bij de tempel. Echter, voor hen uit gaat een man in linnen gekleed met een schrijf­koker aan zijn zijde die de op­dracht krijgt een teken te maken op de voorhoofden van de mannen die zuchten en kermen over alle gruwelen die in de tempel bedreven worden [23]. Degenen die het te­ken op het voorhoofd krijgen mogen niet ge­dood worden [24]. De 144.000 verzegelden geven aan dat uit alle stammen van Israël er Joden zullen zijn die tot geloof in Jezus Christus als Mes­sias zullen komen. De opsomming van de stam­men is opmer­ke­lijk. De stam Dan ont­breekt. Bovendien staat de stam Manasse naast de stam Jozef. Men zou verwachten dat om het aantal stammen op twaalf te krijgen Jozef vervangen zou worden door zijn beide zoons, Efraïm en Manasse. In het Oude Testament wordt in de lijsten óf Jozef genoemd óf – als de stam Levi niet wordt vermeld vanwege zijn bijzondere positie - zijn beide zoons, maar nooit een combinatie van Jozef en één van zijn zoons. In geen van de lijsten uit het Oude Testament ontbreekt Dan. Wellicht speelt hier de geschiedenis uit Richteren 17 en 18 een rol. Uit dit ge­deelte blijkt dat in de tijd van de Richteren de stam Dan nog geen erfdeel had. Verder blijkt dat deze stam zich zeer goddeloos gedroeg. In het apocriefe boek Testament van Dan staat zelfs dat satan de prins van de stam is [25]. En er was een oude traditie dat de antichrist uit de stam Dan zou komen. Ook Efraïm stond bekend als een zeer goddeloze stam. De naam Efraïm wordt vaak gebruikt om het gehele tien­stam­men­rijk aan te duiden, met name door de profeten die dit rijk zijn zonden verwijten. Wel­licht spelen deze achtergronden een rol bij het niet noemen van Efraïm in deze op­som­ming in de Openbaring aan Johannes.

In het volgende visioen (7:9-17) ziet Johannes in een vooruitblik in de hemel de schare die uit de Grote Verdrukking gekomen is. Ze zijn be­kleed met witte kleren, als teken van de hemelse heerlijk­heid, maar ook als teken van heilig­heid. De palmtak­ken doen denken aan het Loofhuttenfeest. Dit is een verwijzing naar Zacharia 14 waar het beeld van het Loofhuttenfeest wordt gebruikt voor het beschrijven van de eindtijd [26].

Gelovigen uit Israël en de gelovigen uit alle volken worden zo in twee beelden weergegeven.

 

·     het zevende zegel

Tot slot volgt het zevende zegel (Openb. 8:1-5), waarmee duidelijk wordt dat het gebed van de gelovigen om de komst van Jezus Christus en het gericht over Gods vijanden, zal worden verhoord. Het openen van het zevende zegel gaat gepaard met een stilte in de hemel van ongeveer een half uur. Wat gedurende dat halve uur gebeurt lezen we in het vervolg. Johannes ziet zeven engelen die voor God staan. De zeven engelen krijgen zeven bazuinen, die een nieuwe reeks rampen zullen aankondigen.

Om het vervolg te kunnen begrijpen moeten we iets weten over de oudtesta­men­ti­sche reukoffers. Men nam kolen van het brandofferaltaar (in de voorhof), bracht het kolen en de specerijen naar het gouden reukwerkaltaar dat in de tem­pel voor het Heilige der Heiligen stond en strooide het reukwerk op het gloeiende vuur. Dit was de taak van de priester [27]. Het offer moest elke ochtend en avond gebracht wor­den [28]. Op de grote verzoen­dag werd het wierookvat bin­nen het Heilige der Heiligen ge­bracht [29].

Johannes ziet een engel bij het brand­offeraltaar staan, met een wierookvat. Deze engel krijgt reukwerk met de gebeden van de heili­gen, om het te geven op het reukofferaltaar voor de troon. Het reukwerk wordt hier als symbool gezien voor de gebeden van de heiligen, evenals in Openbaring 5 [30]. Het reukwerk met de gebe­den van de heiligen stijgt op voor Gods aangezicht. God zal luisteren naar deze gebeden. Dan lezen we dat de engel het wierookvat neemt en vult met het vuur van het al­taar. Het vuur wordt vervolgens op de aarde gewor­pen. Dit is een beeld voor een ge­richt [31]. Het gevolg is dondersla­gen, stemmen, bliksemstralen en aardbeving. Met deze ver­schijn­selen komt er een eind aan de stilte. Het gebed van de ge­lo­vigen zal uit­ein­de­lijk een gericht over de wereld betekenen. Daarover handelt de beschrijving na de Grote Verdrukking, vanaf Openbaring 14.

 

De Grote Verdrukking

Dan volgt de periode van de Grote Verdrukking (8:6 – 13:18; zie ook Matteüs 24 [32]). We weten dat deze hoofdstukken handelen over de Grote Verdrukking vanwege de verwij­zingen naar de periode van 3½ jaar, die ook in het boek Daniël genoemd wordt als de peri­ode van de Grote Verdrukking [33]. De overgang van de periode van de rampen en vervolgingen naar de Grote Ver­druk­king is niet scherp in de Openbaring aan Johannes. Zoals we bij de bespre­king van het zevende zegel hebben gezien komen de zeven bazuinen als het ware voort uit het zevende zegel. Binnen de zeven bazuinen spelen de laatste drie bazuinen een bijzondere rol; ze worden aan­geduid als de drie weeën, en vormen het 'hoogtepunt'. Zo zien we de rampen en ver­volgingen toenemen in ernst vanaf het openen van de zeven zegels via de eerste vier bazuinen naar de laatste drie bazuinen. Let ook op het feit dat het openen van de eerste vier zegels samenvalt met het begin der weeën [34], en dat de laatste drie bazui­nen in de Openbaring worden omschre­ven als de drie weeën.

 

·     eerste vier bazuinen

Dit deel begint met de eerste vier bazuinen (8:6-13). De plagen die beschreven worden doen sterk denken aan de plagen van Egypte [35]. Deze plagen hadden een drietal achter­gronden:

  • ze beogen het hart van de Farao te veranderen; wat niet gebeurt,
  •  ze vormen het voorspel van de bevrijding,
  •  ze tonen de grootheid van God.

Verder valt op dat bij de ergste plagen van Egypte het land Gosen, waar het volk Israël ver­bleef, uitgezonderd bleef: steekvlie­gen (vierde plaag), veepest (vijfde plaag), hagel (zevende plaag), duisternis (negende plaag) en de dood van de eerst­ge­bo­re­nen (tiende plaag). De rampen bij de zeven bazuinen hebben dezelfde kenmerken. Bij de zesde bazuin wordt duidelijk dat de bekering van de ongelovigen beoogd wordt [36]. Bij de vijfde ba­zuin zijn de gelovigen uitgezonderd van de ramp [37]. Na de vierde bazuin kondigt een gier [38] vervolgens de laatste drie plagen aan. Dit vers vormt dan een ver­wij­zing naar Matteüs 24: ‘Waar het aas is, daar zullen de gieren zich verzamelen’ [39]. In Matteüs 24 betekent dit beeld dat net zoals aas niet on­op­­ge­merkt blijft omdat er gieren op af komen, zo ook de wederkomst van Jezus Christus niet onopge­merkt zal geschieden. Dat juist hier in de Open­baring aan Johannes naar dit vers verwezen wordt, geeft aan dat de rampen die hier be­schre­ven worden een teken zijn van de nade­rende wederkomst van Jezus Christus.

 

·     eerste wee = vijfde bazuin

Dan volgt de eerste wee/vijfde bazuin (9:1-12). De engel opent de afgrond, en er komen sprinkhanen uit. De sprinkhanen die Johannes ziet brengen geen schade toe aan de gewassen, maar alleen aan de mensen. En dan nog alleen aan de ongelovigen, want de verzegelden mochten niet gepijnigd worden.


·     tweede wee = zesde bazuin

De tweede wee bestaat uit de zesde bazuin (9:13-21), het visioen van het geopende boek (10) en de twee getuigen (11:1-14).

Bij de zesde bazuin (9:13-21) hoort Johannes een stem uit de horens van het gouden reukoffer­altaar komen. We hebben gezien bij het zevende zegel dat op dit altaar de gebeden van de heiligen gebracht zijn [40]. De stem die Johannes hoort zal dan ook waarschijn­lijk de stem van die heiligen zijn geweest. Het is ook mogelijk de stem van het altaar te zien als het antwoord op de gebeden van de heiligen. Het blazen van de zesde bazuin gaat gepaard met het loslaten van vier engelen bij de Eu­fraat. De Eufraat was de grensrivier van het Romeinse Rijk, en de Romeinen zijn altijd bevreesd geweest voor een inval van de Parthen van de over­zijde van de Eufraat. Op dit gegeven wordt hier ingespeeld.

 

          intermezzo:

         ·  het geopende boek: prediking tot alle volken

         ·  de twee getuigen: prediking tot de Joden

Het visioen van het geopende boek (10) verkondigt de afrekening van God met de vijanden van Zijn volk Israël. Johannes ziet een engel met een boekje in zijn hand. Hij moet het boek opeten. Als hij het eet is het in zijn mond zoet als honing, en als hij het gegeten heeft is het bitter in de buik. Deze pas­sa­ge doet sterk denken aan Ezechiël [41].

Ezechiël krijgt in een visioen de opdracht een boekrol op te eten. Deze boekrol is aan de voorzijde en aan de achterzijde beschre­ven met klaag­liederen, gezucht en gejam­mer. Als Ezechiël dan deze boekrol opeet, is ze zoet als honing in de mond. Daarna krijgt Ezechiël de opdracht te pro­fe­teren tot het huis van Israël. De betekenis is duidelijk. De boodschap die Ezechiël tot de bal­lin­gen moet brengen is bitter voor het volk Israël, maar zelf zal de profeet toch een zekere vreugde beleven aan het bren­gen van de boodschap.

Ook Johannes moet een boodschap brengen die bitter is. Toch is er ook een belangrijk verschil. Ezechiël moest de bood­schap brengen aan de Israëlieten [42]. Johannes krijgt echter de opdracht te profe­te­ren over ‘vele natiën en volken en talen en koningen’. Juist door de duidelijke verwijzing naar Ezechiël worden we opmerkzaam gemaakt op dit ver­schil en wordt de boodschap duidelijk: God zal de belofte dat Hij weer zal omzien naar Zijn volk en zal afrekenen met de volken die Israël be­nauw­den volledig in vervulling doen gaan. Velen malen hebben de oud­testamen­ti­sche profeten verkondigd dat God de Israëlieten weliswaar gestraft heeft door de balling­schap, maar dat Hij echter een einde zal maken aan de balling­schap en afrekenen met de volken die het volk Israël in ballingschap gevoerd hebben [43].

Het visioen van de twee getuigen (11:1-14) geeft een beeld van het getuigenis onder de Joden; een deel van de Joden komt tot geloof en een deel zal zich ver­zet­ten. Johannes krijgt de opdracht de tem­pel en het altaar te meten met een riet. Het spannen van het meetsnoer is een teken van bescherming, zoals blijkt uit parallellen uit Zacharia [44] en Ezechiël [45]. Beschermd worden ‘de tem­pel van God en het altaar en hen die daarin aanbidden’. Het meest waar­schijnlijk is de verklaring dat Johannes een bijzon­dere bescherming voor Joden die in de Messias geloven be­doelt [46]. De voorhof wordt niet opgemeten, maar aan de heidenen gegeven. Zij zul­len de heilige stad, dat is Jeruzalem, vertreden gedurende 42 maanden, de periode van de Grote Verdruk­king. Deze op­mer­king verwijst naar Lucas [47]. Daar wordt door Jezus Christus geprofeteerd dat Jeruzalem door de heide­nen vertrapt zal worden, hetgeen in 70 n.Chr. ook daad­werkelijk gebeurd is. De twee getuigen krijgen opdracht om gedurende 1260 dagen, opnieuw de periode van de Grote Verdrukking, te profe­teren. Dit getuigen vindt plaats in Jeruzalem. Hier wordt mee bedoeld dat hun getuigenis onder de Joden plaatsvindt. Wie zijn deze twee getuigen? Dat zijn de twee olijfbomen en de twee kan­delaren. Deze opmerking verwijst naar het vijfde gezicht van Zacharia [48].

In dit visioen ziet Zacharia een gouden kan­de­laar met zeven lampen en erachter twee olijfbomen. De twee olijfbomen zorgen voor de olie van de lampen. Het visioen is een beeld van het her­stel van Israël. Als Zacharia vraagt wat deze twee olijfbomen betekenen, dan is het antwoord: ‘Zij zijn de twee gezalfden die voor de Here van de gehele aarde staan’ [49]. Op basis van de Hebreeuw­se tekst is het waar­schijn­lijk dat gedoeld wordt op een messiaanse koning en hoge­priester in de heilstijd.

De twee getuigen hebben grote macht over hun vijanden. Uit de beschrijving blijkt dat het gaat om Elia en Mozes. Deze twee personen werden be­schouwd als de vertegenwoordigers van de oud­testamentische periode van het Joodse volk [50]. De Joden verwachtten de terugkomst van Mozes en Elia vóór het einde van de wereld. Achtergrond voor deze verwachting zijn de profetie van Maleachi over de komst van Elia [51] en de belofte van een profeet in Deuteronomium [52]. Als zij hun getuigenis voleindigd hebben, zal het beest uit de afgrond hen doden. Gezien de opmerking dat hun getuigenis 1260 dagen duurt, dat is de periode van de Grote Verdrukking, betekent dit dat de twee getuigen aan het einde van de periode van de Grote Ver­druk­king gedood zullen worden. Het beest dat uit de afgrond komt is een duivels rijk [53]. Hun lijk ligt in Jeruzalem, de stad die gees­te­lijk Sodom en Egypte genoemd wordt [54]. Na drie-en-een-halve dag staan de twee getuigen weer op. Nadat een stem uit de hemel hen roept klimmen zij naar de hemel op. Evenals Mozes en Elia sterven deze twee ge­tuigen dus niet, maar worden zij in de hemel opgenomen. Vervolgens stort een tiende deel van Jeruzalem in als gevolg van een aard­beving, en sterven 7000 personen. De overige inwoners van Jeru­zalem bekeren zich tot God; zij geven de God van de hemel eer. Dit wijst op de bekering van een deel van de Joden.

Wie zijn nu de twee getuigen? Het is duidelijk dat we niet aan twee con­crete per­so­nen moe­ten denken. De profeet die aan Mozes is beloofd is vervuld in de komst van Jezus Christus, en Elia die zou komen is vervuld in Johannes de Doper. En met het beeld uit Zacharia van de koning en de hogepriester wordt de Messias aangeduid die gekomen is en zal wederkomen. De tempel is vertreden door de vijanden. Deze gebeurtenissen – de geboorte van Johannes en Jezus, de vernietiging van de tempel - zullen niet nog eens plaatsvinden op dezelfde wijze als dat al gebeurd is [55]. Het zijn beelden van het getuigenis van de Profeet en Elia die gekomen is en het Joodse volk waarvan een deel naar die boodschap zal luisteren. Dit visioen vertelt dus iets over de toekomst van het Joodse volk. De voor­hof van de tempel zal door de heidenen vertrapt worden, in de tijd van de Grote Verdrukking. Het Joodse volk zal dus verdrukt worden. Aan de andere kant beschermt God de tempel zelf en hen die daarin aan­bid­den, een beeld voor de Messias­belijdende Joden. In dezelfde periode zal getuigt worden tot de Joden. Aan het einde van die periode zal het getui­gen onmogelijk gemaakt worden door een duivels regime. Gezien de bena­ming Sodom en Egypte voor Jeruzalem, zijn er veel Joden die niet tot bekering ko­men. Aan de andere kant blijkt dat er toch ook nog vele Joden zullen zijn die de God van de hemel eer geven, die dus tot geloof in de Messias komen.

Opnieuw twee beelden naast elkaar: een boodschap voor de heidenen en een boodschap voor de Joden.

 

·     derde wee = zevende bazuin

De derde wee bestaat uit de zevende bazuin (11:15-19), het visioen van de vrouw en de draak (12:1-17) en het beest uit de zee en het beest uit de aarde (12:18 – 13:18 [56]). Het openen van de zevende zegel ging niet gepaard met een ramp, maar was een aankon­diging van de zeven bazuinen die nog zouden vol­gen. Zo gaat nu het blazen van de zevende bazuin evenmin gepaard met een ramp, maar is het de aan­kon­di­ging van de zeven schalen die nog leeggegoten zullen worden. Dit wordt op drie manieren gedaan, namelijk door luide stemmen in de hemel, door de 24 oudsten en door het verschijnen van de ark van het verbond in de tempel. In Openbaring 4 en 5 ziet Johannes God op een troon zitten in de hemel. Van de tempel is nog geen sprake. Bij het openen van de vijfde zegel ziet Johannes het brand­offer­altaar in de voorhof van de tempel [57]. Bij het openen van het zevende zegel ziet Johannes hoe een engel reukwerk van het brandofferaltaar brengt naar het gouden reukofferaltaar in de tempel, voor het Heilige der Heilige [58]. Ook bij het blazen van de zesde bazuin wordt ge­spro­ken over het gou­den altaar [59]. Nu wordt de tempel geopend en wordt de Ark van het Verbond zichtbaar. Zo zien we hoe we in de Openbaring aan Johannes dat we van buiten de tempel in stappen steeds dichter bij de Ark komen. Alleen op de Grote Verzoen­dag mocht de hogepriester het Heilige der Heilige be­treden. In het Heilige der Heilige woonde God, en niemand mocht zomaar de ark naderen. Nu ziet Johannes de ark staan. De boodschap is duidelijk: de tijd nadert dat de gelovigen met God zullen zijn, omdat Hij het koning­schap definitief aanvaard heeft.

 

intermezzo:

         ·  de vrouw en de draak: bescherming van de Joden

         ·  het beest uit de zee en het beest uit de aarde: ver­zege­ling van de gelovigen uit alle volken

Het visioen van de vrouw en de draak (12:1-17) toont Gods bescher­ming van Israël. Johannes ziet een zwangere vrouw en een grote draak. De vrouw is met een zon bekleed, heeft de maan onder haar voeten en een krans van 12 sterren op haar hoofd. Deze vrouw is de moeder van Jezus Christus. Hiermee wordt niet Maria zelf bedoeld, maar het volk Israël met de hei­de­nen die in dat volk zijn ingelijfd. Het tweede teken is een grote rode draak met zeven koppen en tien horens. Dit verwijst naar Daniël 7 [60]. In dit visioen van Daniël is het dit dier dat de regering tijdens de Grote Verdrukking voorstelt [61]. Dan lezen we dat de draak de Zoon van de vrouw, waarmee Jezus Christus wordt bedoeld, wil verslinden zodra het geboren zou wor­den. De Zoon wordt plotse­ling weggevoerd naar de hemel, terwijl de vrouw vlucht naar de woestijn waar zij onder­houden wordt ge­durende 1260 dagen, dat wil zeggen de periode van de Grote Verdrukking. Met andere woorden: God zal gedurende de Grote Ver­druk­king de kerk - waarbij ogen­schijn­lijk hier met name gedacht is aan de Messias­belijdende Joden - onderhouden. Vervolgens wordt gesproken over een oorlog in de hemel, nadat de vrouw de Zoon gebaard heeft en voordat de vrouw naar de woestijn ge­voerd werd gedurende de Grote Ver­drukking. De draak wordt op de aarde ge­worpen. De satan is neergeworpen door het bloed van het Lam, en door het woord van het getuigenis van de gelovigen [62]. Het is vertroostend op te merken hoezeer het getuigenis van de gelovigen er­toe bijdraagt dat het koninkrijk van Jezus Christus gevestigd wordt, al kan dat voor de gelo­vigen de dood betekenen. Echter, hoewel de satan nu geen macht meer heeft in de hemel, heeft hij nog grote macht op de aarde. Hij weet, dat hij weinig tijd heeft. Vervolgens lezen we een uitgebreidere versie van wat hiervoor beschreven is. De draak vervolgt de vrouw, die echter twee vleugels van de grote arend krijgt en vervolgens naar de woestijn vliegt. De adelaars­vleugels vormen in het Oude Testament een beeld van de zorg van God voor het volk Israël in de woestijn [63]. Daar wordt zij gedurende de Grote Ver­druk­king onderhouden. Dan pro­beert de slang (oftewel de draak) een waterstroom achter de vrouw aan te sturen, maar ook deze poging de vrouw te doden mislukt. Hoewel de satan in de hemel geen macht meer heeft, voert hij op de aarde een strijd tegen de gelovigen.

 

Het volgende visioen toont het beest uit de zee en het beest uit de aarde (12:18-13:18).

Enkele opmerkingen vooraf. Er is een Joodse traditie over de twee draken, de Leviathan en de Behemoth. Deze twee die­ren worden be­schre­ven in het boek Job. Aan het einde van dit boek brengt God Job tot ootmoed door hem te wijzen op de schepping. Dit antwoord van God aan Job begint in Job 38 met het beschrijven van allerlei natuur­ver­schijn­se­len, waar­na in Job 39 de dieren volgen. Als hoogtepunt wordt dit ant­woord van God afgesloten met de be­schrijving van de Behe­moth [64] en de Leviathan [65]. De Statenvertaling heeft de namen van de dieren on­ver­­taald gelaten, de NBG en de NBV vertalen deze twee namen met resp. nijlpaard en krokodil [66]. Als we de be­schrij­ving lezen, doen de dieren nog het meest denken aan prehistorische dieren. In de Joodse traditie zijn deze twee dieren een beeld geworden van de duivel­se macht. De vrouwelijke Leviathan is in deze tradities het beest in de zee en de man­nelijke Behemoth het beest op de aarde [67]. We komen de traditie ook tegen in Joodse werken die zijn ge­schreven in de­zelfde tijd als de Open­baring aan Johannes [68], waar gesproken wordt over het vernietigen van de Behemoth en de Leviathan door de Messias. Het is on­miskenbaar dat Johannes naar deze Joodse traditie met be­trek­king tot de Behe­moth en de Leviathan verwijst.

In Matteüs 24 wordt gezegd over de periode van de Grote Verdrukking:

Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan en zij zullen grote tekenen en wonderen doen, zodat zij, ware het mogelijk, ook de uitverkorenen zouden verleiden [69].

Het beest uit de zee is beeld van de valse christus en het beest uit de aarde beeld van de valse profeet.

Verder valt op dat de draak, het beest uit de zee en het beest uit de aarde een imitatie vor­men van de goddelijke drie-eenheid.

Het beest uit de zee heeft tien horens en zeven koppen, net zo­als de draak [70]. Het beest heeft echter geen kronen op zijn hoofden, maar namen van godslastering. Het uiterlijk van dit beest is een samen­voeging van de vier dieren uit Daniël 7: leeuw, beer, luipaard en het dier met de tien horens. In Daniëls visioen staan deze dieren voor het Babylonische rijk, het rijk van de Meden, het Perzische rijk en het Griekse rijk. Het beest uit de zee is de samenballing van deze vijan­dige wereldrijken. De draak geeft het beest zijn kracht, zijn troon en zijn grote macht [71]. Hier zien we hoezeer de relatie tussen de draak en het beest uit de zee een nabootsing is van de relatie tussen God en Jezus Chris­tus. Dan lezen hoe een dodelijke wond (letterlijk: ‘als ge­slacht tot de dood’) van dit beest ge­neest. We zien hier een ver­wij­zing naar de uitspraak van Jezus Christus, dat de valse christussen en de valse profeten grote tekenen en wonderen zullen doen. Het gevolg is dat velen het beest aanbidden.

Het beest krijgt een mond die godslasteringen spreekt, met een verwijzing naar Daniël 7 waar dit gezegd wordt van het vierde dier [72]. Het lasteren door het beest duurt 42 maanden, de periode van de Grote Ver­druk­king [73]. Het beest zal oorlog voeren tegen de gelovigen en hen overwinnen, zoals ook van het vierde dier gezegd wordt in Daniël 7 [74]. Alle on­gelovigen zullen het beest aanbid­den. Degenen die het beest niet volgen kunnen gevangen worden genomen of gedood.

Vervolgens ziet Johannes een tweede beest, dat opkomt uit de aarde. Dit beest is de valse profeet; in het vervolg van de Openbaring aan Johannes wordt een aantal malen gesproken over ‘het beest en de valse profeet’ als verwezen wordt naar het beest uit de zee en het beest uit de aarde [75]. Dit beest heeft twee horens. Dit kan een verwijzing zijn naar Daniël 8 waar de ram met twee horens een beeld is voor de konin­gen van de Meden en de Perzen [76]. Het beest spreekt als de draak en be­werkt dat de aardbewoners het beest uit de zee zul­len aanbidden. De nabootsing van de God­delijke drie-eenheid is opmer­ke­lijk. Ook dit beest doet grote tekenen, en verleidt daardoor de mensen. Sterker nog, het beest uit de aarde zorgt ervoor dat er een beeld ge­maakt wordt van het beeld uit de zee, en dat allen die het beeld niet aanbidden gedood wor­den. In navolging van de ver­zegeling van de gelovigen worden ook de volgelingen van het beest voor­zien van een merkteken. Toch is er een verschil. In het geval van het ver­ze­gelen van de gelovi­gen wordt gesproken van een zegel. Dit woord wordt in Romeinen gebruikt voor de besnij­denis [77], en in veel oudchristelijke literatuur wordt dit woord gebruikt voor de doop. Het woord dat in Openbaring 13 vertaald wordt met merk­teken (van het beest), betekent letterlijk een ingesneden of inge­brand teken of stempel. In de Openbaring aan Johannes leidt dit merkteken tot economische uitsluiting – niet kunnen kopen of verkopen - van degenen die het teken van het beest niet hebben. Het merkteken is de naam van het beest of het getal van zijn naam is, namelijk 666. Het meest waarschijnlijk blijft de ver­kla­ring dat hier gedoeld wordt op keizer Nero in Hebreeuwse letters (QSR NRWN = 100 + 60 + 200 + 50 + 200 + 6 + 50 = 666).

De be­schrijving van deze laatste drie bazuinen, de drie weeën, bevatten herhaaldelijk een verwijzing naar de Grote Verdruk­king van 3½ jaar. De zeven zegels en de zeven bazuinen vormen zo een reeks rampen die in heftigheid toenemen van het begin van de weeën (de eerste drie paarden) tot de drie weeën die het hoogtepunt vormen van de Grote Verdrukking.

 

Christus komt

Dan komt Christus terug naar de aarde. Met dit hoofdstuk zijn we aangeland in een nieuw deel van de Openba­ring aan Johan­nes. Christus komt, en rekent af met de vijanden van Zijn volk.


·     het Lam en de vrijgekochten: de eerstelingen uit Israël

We zien het Lam en de 144.000 Joden die zich bekeerd hebben op de berg Sion (14:1-5). De verwijzing naar de 144.000 verzegelden die Johannes in Openbaring 7 [78] beschrijft is zeer duidelijk. Sion is hier een hemels Sion. Deze gelovigen uit de Joden zijn gekocht als eerstelingen voor God en het Lam [79]. Een rijke vervulling van de pro­fe­tie­ën die aangeven dat ook uit de Joden nog velen tot de erkenning van Jezus Christus zul­len komen.

 

·     het oordeel aangekondigd

Johannes ziet een engel in de hemel vliegen die het oordeel aankondigt over alle volken (14:6-20). Een tweede engel ziet in profetisch perspectief dat Babylon reeds ge­val­len is. In de Openbaring aan Johannes wordt dit beschreven in het vervolg. De derde engel verkondigt het oordeel over degenen die het merkteken ontvangen hebben van het beest. Dan ziet Johannes een witte wolk met daarop iemand als een Mensen­zoon [80]. Er is sprake van drie engelen. De eerste engel komt uit de tempel en zorgt ervoor dat de Zoon des mensen op de wolk de oogst maait op de aarde. Dit maai­en geeft aan dat de eindafrekening komt. De tweede engel komt eveneens uit de tempel, met een scherpe sikkel. De derde engel komt uit het altaar. Dit verwijst naar Openbaring 8 waar een engel het wierookvat vult met vuur en reukwerk van het altaar [81]. Dit reukwerk is de gebeden van alle heiligen. Deze derde engel, die macht over het vuur heeft, verzoekt de tweede engel de druiven te oog­sten zodat ze getreden kunnen wor­den.

 

·     de zeven schalen: Gods gramschap tegen Zijn vijanden

Johannes ziet vervolgens zeven engelen met de zeven laatste plagen (15 en 16). Deze zeven laatste plagen dienen ertoe de gram­schap van God te vol­eindigen. Het Griekse woord dat hier met ‘gram­schap’ (NBV: ‘woede’) is vertaald, wordt in de Open­baring aan Johannes gebruikt voor de toorn van de duivel tegen de volgelingen van het Lam [82], en voor de toorn van God tegen de volgelingen van het beest [83]. In Openbaring 12 (‘Wee de aarde en de zee, want de duivel is tot u neergedaald in grote grimmigheid, wetende, dat hij weinig tijd heeft’ [84]) en Openbaring 14 (‘.....Babylon, dat van de wijn van de hartstocht van zijn hoererij al de volkeren heeft doen drinken’ [85]) gaat om de toorn van de duivel. Als gesproken wordt van ‘de wijn van Gods gramschap[86] of ‘de persbak van de gram­schap van God’ [87], en bij de zeven schalen [88] gaat het om de toorn van God tegen de volge­lingen van het beest. Deze laatste zeven plagen zijn dus nadrukkelijk gericht tegen de vijanden van het volk van God. Hier­mee onder­scheiden deze plagen zich van de eerste twee series plagen, waar de gelovi­gen ook last van ge­­had moeten hebben, al zijn ze voor het ergste be­waard gebleven, zo­als we hebben gezien.

De oogst is gemaaid, het is duidelijk geworden wie volhard heeft en wie niet.

Dan ziet Johannes de ‘tempel van de tent der getuigenis’ open gaan. We hebben reeds in Openbaring 11 gezien dat de tempel open ging en de ark van het verbond zichtbaar werd [89]. Nu zien we zeven engelen uit de tempel komen. De engelen krijgen van één van de vier dieren elk een gouden schaal. Hiermee worden offerschalen be­doeld, die in de tempel gebruikt worden voor de plengoffers. In Openbaring 5 hebben we gezien dat de vier dieren en de 24 oudsten gouden schalen vol reukwerk - dat zijn de gebeden van de heiligen – hebben [90]. Nu zien we dat dezelfde schalen gevuld zijn met de gramschap van God. De boodschap is dat de gramschap van God een antwoord is op de gebe­den van de heiligen. Dan geeft een stem uit de tempel bevel de zeven schalen leeg te gieten op de aarde.

Er zijn zowel overeenkomsten als verschillen met de zeven bazuinen. Evenals de plagen bij het blazen van de zeven bazuinen zien we ook bij de plagen bij het leeg­gieten van de zeven schalen rampen die ons doen denken aan de plagen van Egypte. Het verschil is dat de pla­gen nu dui­de­lijk bedoeld zijn als uiting van de toorn van God tegen Zijn vijanden. De plagen bij de zeven bazuinen zijn nog beperkt van omvang [91]; de plagen bij de zeven schalen zijn universeel [92].

De zesde plaag heeft wat meer toelichting nodig. Bij het blazen van de zesde bazuin was evenals bij de zesde schaal sprake van de rivier de Eufraat [93]. Bij de zesde schaal komen vijanden over de rivier de Eufraat, een zin­speling op de angst van de Romei­nen voor de Parthen. Hier heeft de rivier de Eufraat een geheel andere betekenis. We lezen dat de rivier de Eufraat droog wordt, en zo de weg effent voor de koningen die uit het oosten komen. Hier wordt ver­wezen naar Jesaja 11:

Dan zal de Here de zeeboezem van Egypte (= de Schelf­zee) met de ban slaan en Hij zal Zijn hand tegen de Rivier (= de Eufraat) bewegen met de gloed van Zijn adem, en Hij zal haar tot zeven beken uiteenslaan en maken, dat men geschoeid daardoor kan gaan. Dan zal er een heerbaan zijn voor de rest van Zijn volk, die in Assur overblijven zal, zoals er voor Israël geweest is ten dage, toen het optrok uit het land Egypte’ [94].

Hier wordt gesproken over de terugkomst van de ballingen uit de Babylonische ballingschap en uit de Assyrische balling­schap. Uit de bek van de draak [95], van het beest [96] en van de valse profeet [97] komen drie onreine geesten, als kik­vorsen. Deze onreine geesten ver­za­melen de koningen van de ge­hele wereld tot de oorlog. Met andere woorden: een deel van de koningen van de wereld zal naar Jeruzalem komen om God te vereren en de ballingen terug­bren­gen [98], een ander deel zal zich verzamelen tot de oorlog. Deze oorlog zal plaats­vinden op de grote dag van de almachtige God. Dat is de dag waarop de definitieve af­rekening met de vijanden van God zal plaatsvinden. Het is niet duide­lijk of dit de oorlog is die leidt tot de overwinning van het beest en zijn profeet  [99] of de oorlog tegen Gog en Magog [100]. Tot slot wordt aangegeven dat de volken verzameld worden bij Harmagedon. Dit moet gelezen worden als de berg Megiddo (har = berg in het Hebreeuws [101]). Megiddo is de plaats waar her­haal­delijk een oorlog gevoerd is tegen vijandelijke legers [102].

Evenals het openen van het zevende zegel en het blazen van de zeven­de bazuin geen ramp met zich meebracht, zo brengt het leeggieten van de zevende schaal geen ramp voort. Er klinkt een stem uit de tempel [103] van de troon die aan­geeft dat nu het einde aan­gebroken is. Evenals bij de zevende zegel en de zevende bazuin zijn er nu bliksemstralen, stemmen en donderslagen en een aardbeving [104]. De aardbeving is buiten­gewoon groot, en de grote stad, dat is Babylon, stort in, evenals de ste­den van de (vijandige) volken. In Openbaring 14 werd reeds gezegd dat God de aanhangers van het beest zal doen drin­ken van de wijn van Zijn gramschap [105], nu wordt het­zelfde gezegd van Babylon. Het oordeel wordt geveld over Babylon (en over de steden van de volken). In de volgende hoofdstukken wordt nog uitgebreid be­schre­ven hoe Babylon ten onder gaat. Het is duidelijk dat Babylon hier sym­bool staat voor de vijandelijke macht, de aanhan­gers van het beest. Daar­naast moeten we ons realiseren dat Babylon onder de christe­nen een scheldnaam is geweest voor Rome [106]. Ook in Joodse lite­ra­tuur komt de naam Babylon als scheld­naam voor Rome voor [107]. Bij de aardbeving bij het openen van het zesde zegel werden reeds de bergen en de eilan­den van hun plaats gerukt [108], nu verdwijnen ze zelfs geheel. En reeds bij het blazen van de zevende bazuin is sprake van zware hagel [109], nu is echter sprake van een zeer grote hagel­plaag.

 

·     de val van Babylon

Na het leeggieten van de zevende schaal volgt een lange passage waar­in de val van Baby­lon beschreven en bejubeld wordt (17:1-19:5).

Eén van de zeven engelen die Gods oordelen over de aarde hebben laten komen door de zeven schalen uit te gieten, toont Johannes het oor­deel over de grote hoer. Deze grote hoer is Babylon. Vervolgens wordt in het visioen Johannes verplaatst naar de woestijn, waar hij de vrouw ziet zitten op een beest. Dit beest is blijkens de omschrijving het beest uit de zee [110]. Vervolgens geeft de engel Johannes uitleg: ‘het beest was, en is niet, en het zal opkomen uit de afgrond’. Deze uitleg verwijst naar de Nero-legende.

Nero, keizer van 54 tot 68 n.Chr. was de slechtste van de keizers. Na een regering van 14 jaar veroordeelde de Senaat hem tot de doodstraf. Nero ontvlucht in paniek Rome op een paard met bedekt gezicht en gekleed in een hemd en een paar slippers. Hij hield zich schuil in een verlaten landhuis dat geheel overwoekerd was met onkruid. Toen hij ruiters hoorde naderen pleegde hij zelfmoord. Zijn slaven had hij gesmeekt om hem na zijn dood te verbranden zodat zijn vijanden hem niet zouden kunnen onthoofden. Omdat maar weinig mensen konden getuigen dat Nero inderdaad op deze manier gestorven was ontstond toen onder het volk het gerucht dat hij niet dood was maar ge­vlucht naar de Parthen, vanwaar hij zou terugkeren om zich te wreken op Rome, dat zich tegen hem had gekeerd [111]. Verschillende heersers beweer­den de terug­gekeerde Nero te zijn.

Allen die het Lam niet volgen zullen zich verbazen over het beest. In Openbaring 13 wordt ge­spro­ken over het genezen van een dode­lijke wond waardoor het beest aanbeden wordt [112], en over grote tekenen waar­door de mensen van de aarde verleid worden [113]. Hier verbazen de men­sen zich over het terugkeren van het beest. De zeven koppen van het beest worden op twee manieren uitgelegd. De eerste uitleg is dat de zeven koppen de zeven bergen zijn waarop de vrouw zit. Dit ver­wijst onmisken­baar naar de zeven bergen waar­­op Rome gebouwd is. De tweede uitleg is die van de opvol­ging van de zeven koningen: vijf zijn er gevallen, één is er nog en de andere is nog niet gekomen. Het beest zelf is één van de zeven, en is ook het achtste. We zien in deze achtste koning die één van de zeven geweest is weer de verwijzing naar keizer Nero, terwijl de koning (of keizer) die er nog is kei­zer Domitianus geweest moet zijn. Waarschijnlijk moeten we in het aantal koningen dat hier ge­noemd is gewoon een symbolisch getal zien, en geen uitno­di­ging om het aantal keizers dat geregeerd heeft over het Romeinse rijk na te gaan tellen.

Dan volgt de uitleg van de tien horens. In Daniël 7 worden de tien horens van het vierde dier uitgelegd als tien koninkrijken, die nog komen zouden [114]. Ook hier zijn de tien horens tien koningen die nog zullen komen. Zij zullen slechts kort regeren, één uur. Deze koningen zullen het beest volgen, en oorlog voeren tegen het Lam. Het Lam en Zijn volgelingen zullen echter overwinnen.

De verwoesting van Babylon wordt uitgebreid beschreven [115]. Een stem uit de hemel waarschuwt geen deel te hebben aan Babylon, omdat het oordeel over haar nu volbracht zal worden. Wie niet weggaat, zal getroffen worden door de rampen die Babel zullen over­komen.

 

·     de overwinning van het Lam:

  • de bruiloft van het Lam
  • de komst van Jezus Christus
  • beest uit de aarde en beest uit de zee over­won­nen

De bruiloft van het Lam is gekomen (19:6-10). Het nieuwe Jeruzalem is gereed en staat op het punt zich te verbinden aan het Lam. Deze bruid is ge­kleed in fijn linnen. Dit zijn de recht­vaardige daden van de heiligen. Degenen die uitgenodigd zijn, de volgelingen van het Lam, zijn zalig.

Johannes ziet in de hemel een wit paard (19:11-16). Op het paard zit Iemand die Getrouw en Waarachtig genoemd wordt, Jezus Christus. De legers uit de hemel volgen Hem op witte paarden in witte kle­ren. Hiermee wordt een leger van engelen bedoeld.

Vervolgens wordt de ondergang van de vijanden aan­ge­kon­digd (19:17-21). Dan volgt een oorlog. Deze oorlog is al aan­ge­kon­digd bij de zesde schaal als de oorlog van Harmagedon [116]. Aan de ene kant staan het beest uit de zee (het beest), het beest uit de aarde (de valse profeet) en de koningen van de aarde, aan de andere kant staan Jezus Christus (Hem, die op het paard zat) en het leger enge­len. De engelen worden in de Bijbel vaker geschilderd als een krijgs­macht [117]. Het beest en de valse profeet worden gegrepen. Levend worden ze geworpen in een vuurpoel. De overigen - de koningen van de aarde en hun leger­scha­ren - werden gedood met het zwaard.

Hier zien we hoe nadat eerst Babylon gevallen is, ook het beest uit de zee en het beest uit de aarde overwonnen worden. Wat nog rest is de draak zelf.

 

Het aardse rijk van Christus

·     het 1000-jarig rijk

De Openbaring aan Johannes eindigt met een beschrijving van het 1000-jarige aardse rijk (20:1-6). Een engel met de sleutel van de afgrond grijpt de draak (de satan) en sluit hem op in de afgrond. Hij wordt daar stevig op­ge­sloten, gezien de keten met de sleutel. De draak wordt voor duizend jaar vast­ge­hou­den, waarna hij korte tijd weer losgelaten wordt. Vervolgens ziet Johannes tronen. Op de tronen zitten mensen die ge­dood zijn als martelaar, en weer levend geworden. Bij de zielen van de onthoofden kunnen we denken aan de zielen die Johannes eerder onder het altaar had gezien [118]. Zij regeren met Christus gedurende de dui­zend jaren. Hun wordt het oordeel gegeven, staat er. Zoals nog later in dit boek uitgelegd zal worden moeten we ervan uitgaan dat met de martelaren – waar hier de nadruk op wordt gelegd – ook alle andere gelovigen zullen opstaan.

Na de periode van het Duizendjarig Rijk zal de satan worden losgelaten. Hij zal Gog en Magog verleiden tot de oorlog. Deze tekst verwijst naar Ezechiël [119]. In dit deel van de profetie van Ezechiël wordt de overwinning voorspeld op Gog in het land Magog, de grootvorst van Mesek en Tubal. Gog is geen menselijke gestalte, maar is een boven­menselijke figuur in deze profetie. In de rabbijnse literatuur worden Gog en Magog gezien als namen van volken. Opvallend is dat in Ezechiël staat dat het God is die Gog zal doen optrekken tegen het land Israël [120]; sterker nog, God zal Gog komen halen [121]. Het doel dat God daarmee heeft is de vernietiging van Gog, die vast besloten is. De hele passage over de strijd tegen Gog en Magog vertoont zeer sterke gelijkenis met tradities die we in de rabbijnse literatuur vinden [122].

Gog en Magog rukken op en omsingelen de legerplaats van de heiligen en de ge­lief­de stad, Jeruzalem. De oorlog leidt tot de ondergang van alle vijanden; ze wor­den vernietigd door vuur dat uit de hemel neer­daalt. De duivel wordt in de poel van vuur en zwavel geworpen. Na het beest uit de zee en het beest uit de aarde is nu ook de satan zelf over­wonnen. En hiermee is een eind ge­komen aan alle vijandelijke machten.

 

·     het oordeel

Aan het einde van dit deel van de Openbaring aan Johannes wordt ten­slotte het laatste oor­deel beschreven (20:7-15).

Op een grote witte troon ziet Johannes God zitten. De doden staan op en staan voor de troon om geoordeeld te worden. Dan worden boeken ge­opend [123]. We moeten hierbij denken aan boeken waarin de werken be­schre­ven zijn, immers er staat dat de doden wer­den geoordeeld op grond van het­geen in de boeken geschreven stond, naar hun werken. Daarnaast is er nog een boek des levens. Allen die in dat boek staan, ontsnappen aan de poel van het vuur. Het is het boek van het Lam, waarin de gelovigen geschreven staan vanaf de grond­­legging van de we­reld.

De gelovigen zullen ontkomen aan de tweede dood. De tweede dood is de eeuwige veroordeling, hier beschreven als een poel van vuur. De eerste dood is de natuurlijke dood waaraan alle men­sen onderworpen zijn.

 

Het eeuwige rijk

Tot slot volgt het eeuwige rijk (21:1-22:5). Dit wordt beschreven met twee beelden, namelijk met het beeld van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde en met het beeld van het nieuwe Jeruzalem.

 

·     de nieuwe hemel en de nieuwe aarde: God woont onder de mensen uit alle volken

In een buitengewoon indrukwekkende passage wordt de nieuwe hemel en de nieuwe aarde beschreven (21:1-8). De heilige stad die Johan­nes ziet als onderdeel van dit visioen is een nieuw Jeru­za­lem dat als een bruid uit de hemel komt. God zelf zal nu bij de mensen wonen. Hij zal de tra­nen afwissen, er zal geen kommer meer zijn [124], er zal geen moeite meer zijn [125]. Kortom: alle dingen wor­den nieuw. De dorstige zal gratis uit de bron van het water krijgen. Wie overwint zal deze dingen beërven. Dat is een be­lofte voor allen die vol­houden.

 

·     het nieuwe Jeruzalem met de namen van de 12 zonen van Israël op de poorten

Eén van de zeven engelen die de zeven schalen had laat Johannes Jeruzalem zien (21:9-22:5). Johannes ziet hoe het nieuwe Jeruzalem uit de hemel neerdaalt als een bruid, vanaf een berg. De glans van de stad was als van een zeer kostbaar gesteente. De stad heeft twaalf poorten met daarop de namen van de stammen van Israël [126]. Verder heeft de stad twaalf fundamenten, met daarop de namen van de twaalf apostelen. We lezen dat de stad wordt opgemeten met een meetroede, een teken van Gods bescherming [127]. De stad heeft een kubusvorm: de lengte, breedte en hoogte zijn gelijk. Dit herinnert ons eraan dat het Heilige der Heilige, het deel van de tempel waarin de ark van God stond, eveneens kubusvormig was [128]. De muren zijn gemaakt van diamant, en de stad van goud helder als kristal. De twaalf fundamenten blijken versierd te zijn met twaalf ver­schillende soorten edel­stenen. De twaalf poorten waren elk uit één parel. In het nieuwe Jeruzalem is geen tempel. Waar­schijnlijk wordt dit met zo­veel woor­den gezegd omdat men op basis van de aanhalingen van Johannes uit Ezechiël zou kunnen denken dat in het nieuwe Jeruza­lem ook een tempel zal staan zoals Ezechiël die in een visioen ziet.

Het licht van de zon en de maan is niet langer nodig, want er zal geen nacht meer zijn. De volken brengen hun heerlijkheid naar Jeruzalem. Niets onreins zal binnenkomen.

Uit de troon van het Lam ziet Johannes water ontspringen [129]. Aan weerszijden van de rivier staan bomen [130]. Ze geven elke maand vrucht. De bladeren zijn tot ge­nezing van de volken. De dienstknechten van God en van het Lam zullen Hem vereren. Zij zullen als koningen heersen tot in alle eeuwig­heden.

 

Slot

·     Afsluiting

Dan volgt het slot (22:6-21).

Het boek eindigt met de vermaning niets aan het boek toe te voegen of weg te halen uit het boek.

De laatste zin van het boek is de groet zoals in de oudheid elke brief afgesloten werd.


Bas Krins - november 2017

 

 

Voetnoten:

[1] Zie voor een uitgebreidere uitleg: Bas Krins; Profetieën in vervulling - Uitleg van de Openbaring aan Johannes in het licht van de onvervulde profetieën van het Oude Testament; Barneveld, 2013

[2] Zie voor een uitgebreidere uitleg: Bas Krins; Onvervulde profetieën – Uitleg van de onvervulde profetieën van het Oude Testament in het ;licht van de aanhalingen in het Nieuwe Testament; Barneveld, 2015

[3] De opbouw van Openb. 1:9-20 loopt parallel aan Dan.10:1-12.

[4] De opbouw van Openb. 4:1-8 heeft veel parallellen met Ez. 1:1-28

[5] Ez. 1:10

[6] Dan. 14:4,9

[7] Gen. 49:9-10

[8] Jer. 23:5; Jes. 11:1,10; Zach. 3:8, 6:12

[9] Jes. 53:7; Jer. 11:19

[10] Zach. 4:10

[11] In dit visioen wordt Jezus Christus als leeuw en als lam aangeduid. Dit heeft een diepere betekenis: de eerste komst van Jezus Christus stond in het teken van het lam dat geslacht is, de tweede komst zal in het teken staan van de leeuw die overwint.

[12] In de NBG vertaling worden de kleuren wit, rossig (NBV: vuurrood), zwart en vaal (NBV: vaalgeel) genoemd. De kleur van het laatste paard is volgens de Griekse tekst groen. Hetzelfde woord staat in Openbaring 8:7 waar gesproken wordt over het groene gras. Op grond van bepaalde buitenbijbelse Griekse teksten kan men de vertaling met 'vaal' verdedigen, maar er is een goede reden om aan te nemen dat het vierde paard echt groen is geweest. In de Griekse oudheid werden de kleuren wit, zwart, rood en groen beschouwd als de vier basiskleuren, en dit zijn precies de vier kleuren van de paarden uit Openbaring 6.

[13] Zach. 6:1-8

[14] De NBG- en de NBV-vertaling noemen als kleur gevlekt; dit staat niet in de Hebreeuwse tekst maar wel in de Septuaginta. De Septuaginta is een Griekse vertaling van het Oude Testament dat in opdracht van Ptolemaeus II Philadelphus in de derde en tweede eeuw v.Chr. is gemaakt.

[15] In Zach. 1:7-17 ziet de profeet roodachtige, rode en witte paarden. (De NBG- en de NBV-vertaling hebben in plaats van roodachtig als kleur 'voskleurig', waarschijnlijk om aan te geven dat het Hebreeuws twee verschillende woorden voor 'rood' gebruikt; de Septuaginta noemt vier soorten paarden, namelijk rood, een kleur waarvan wij de ver­taling niet kennen, gevlekt en wit.) Deze paarden hebben de aarde doorkruist, ‘en zie, de gehele aarde verkeert in volkomen rust’. In het vervolg wordt uitgelegd wat hiermee bedoeld wordt: God laat de vijanden van het volk Israël nog met rust. Maar er zal een tijd aanbreken waarin God in erbarmen terugkeert tot het huis van Jeruzalem.

[16] Matt. 24:6-7

[17] Matt. 24:9

[18] Feitelijk staat er niet welk altaar bedoeld wordt, maar er zijn twee redenen om aan te nemen dat hier het brandofferaltaar wordt bedoeld. Ten eerste had dit altaar een holle ruimte, zodat we ons kunnen voorstellen dat zich er iets in bevond. Ten tweede wordt het reukofferaltaar door Johannes omschreven als het gouden altaar.

[19] Joël 2:31.

[20] Zie ook Jes. 13:10; 24:23; Ez. 32:7; Amos 8:9

[21] Matt. 24:22

[22] Dan. 12:1

[23] Ez. 9:4,6; de NBG leest dat de engel met de schrijfkoker één van de zes engelen met een wapen is, de NBV leest dat de engel met de schrijfkoker extra is.

[24] In Ezechiël staat in de oorspronkelijke tekst dat het teken een ‘tav’ is, de laatste letter van het Hebreeuwse alfabet. In het oud-Hebreeuws werd deze geschreven als een ‘x’ De ‘tav’ als onder­te­ke­ning komen we ook in Job 31:35 tegen.

[25] Testament van Dan 5:6

[26] Zach. 14:16

[27] Num. 16:40; 1 Kron. 6:49; 2 Kron. 13:11

[28] Ex. 30:7-8

[29] Lev. 16:12-13

[30] Openb. 5:8, met een verwijzing naar Ps. 141:2.

[31] Ez. 10:2

[32] Matt. 24:15-22

[33] Aangeduid met 42 maanden (Openb. 11:2 en 13:5), 1260 dagen (Openb. 11:3 en 12:6) en ‘ tijd, tijden en een halve tijd’ (Openb. 12:14)

[34] Matt. 24:8

[35] Zie ook Ex. 15:26; Deut. 28:27; Lev. 27:60

[36] Openb. 9:20

[37] Openb. 9:4

[38] Het Griekse woord dat hier voor gier gebruikt is kan ook adelaar betekenen (zoals in de NBV vertaald is), maar waarschijnlijk is hier een gier bedoeld gezien de ver­wijzing naar Matt. 24:28

[39] Matt. 24:28

[40] Openb. 8:3

[41] Ez. 2:9-3:3

[42] Ez. 2:3 en 3:2

[43] Jes. 51:22-23; Jer. 30:16; Ez. 36:7; Amos 1:2-2:16

[44] Zach. 1:16

[45] Ez. 40:3 e.v.

[46] Zie ook Openb. 21:15. Het feit dat hier dezelfde uitdrukking wordt gebruikt bij de beschrijving van het nieuwe Jeruzalem bevestigt de verklaring dat hier sprake is van een aanduiding van de Messiasbelijdende Joden.

[47] Luc. 21:24

[48] Zach. 4:1-14

[49] Zach. 4:14

[50] Dit blijkt ook uit de geschiedenis van de verheerlijking op de berg, waar Mozes en Elia verschijnen (Matt. 17:1-13; Marc. 9:2-13; Luc. 9:28-36)

[51] Mal 4:5; vgl. Matt. 11:13-14 en Marc. 9:11-13

[52] Deut. 18:18

[53] Vgl. Dan. 7.

[54] Ez. 16:44-58 (zie ook Jes. 1:9; Jer. 23:14).

[55] Er zijn uitleggers die op basis van dit visioen stellen dat er gedurende de Grote Verdrukking een tempel moet zijn, en dat dit dus betekent dat de tempel herbouwd zal worden. Deze uitleg is naar mijn mening niet correct.

[56] Zie ook Matt. 24:24

[57] Openb. 6:9-11

[58] Openb. 8:3-5

[59] Openb. 9:13

[60] Dan. 7:7,24

[61] Dan. 7:25

[62] Vgl. Luc. 10:18!

[63] Ex. 19:4; Deut. 32:11-12

[64] Job 40:10-19

[65] Job 40:20-41:25

[66] Hetzelfde woord dat in Job 40 met ‘krokodil’ is vertaald wordt elders zowel in de NBG als de NBV vertaald met ‘Leviathan’: Job 3:8, Psalm 74:14 en 104:26, Jes. 27:1.

[67] 1 Enoch 60:7-9,24

[68] 4 Ezra 6:49-52 en 2 Baruch 29:4

[69] Matt. 24:24, Marc. 13:22

[70] Openb. 12:3

[71] Dan. 7:6

[72] Dan. 7:8,11,20; zie ook Dan. 8:11; 11:36

[73] Dan. 7:25; 8:14

[74] Dan. 7:21

[75] Openb. 16:13; 19:20; 20:10

[76] Dan. 8:3,20

[77] Rom. 4:11

[78] Openb. 7:1-8

[79] Er is een opvallende overeenkomst met Hebreeën 12:12 e.v.: ‘Maar u bent genaderd tot de berg Sion, tot de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem (...) en tot een feestelijke en plechtige vergadering van eerstgeborenen, die ingeschreven zijn in de hemelen (...)’  . Hier is eveneens sprake van zowel de berg Sion als de eerstgeborenen. En naar alle waarschijnlijkheid worden ook in de Hebreeën met de eerstgeborenen de Messiasbelijdende Joden aangeduid, aan wie de brief aan de Hebreeën was gericht.

[80] Matt. 24:30; zie ook Dan. 7:13

[81] Openb. 8:5

[82] Openb. 12:12; 14:8: 18:3

[83] Openb. 14:10,19; 15:1,7: 16:1,19; 19:15

[84] Openb. 12:12

[85] Openb. 14:8; zie ook Openb. 18:3.

[86] Openb. 14:10; 16:19

[87] Openb. 14:20; 19:15

[88] Openb. 15:1,7; 16:1

[89] Openb. 11:19

[90] Openb. 5:8

[91] In Openb. 8:7-12 staat twaalf maal het begrip ‘derde deel’.

[92] Zie bijv. Openb. 16:3: ‘alle levende wezens’.

[93] Openb. 9:14

[94] Jes. 11:15-16

[95] Zie Openb. 12

[96] Beest uit de zee: Openb. 13:1-10.

[97] Beest uit de aarde: Openb. 13:11-18.

[98] Openb. 16:12, naar aanleiding van Jes. 11 en Jes. 60.

[99] Openb. 19:17-21

[100] Openb. 20:8-9

[101] Megiddo ligt niet op een berg maar in een dal. Dat gesproken wordt over een berg, is op grond van Ezechiël Ez. 38:8,21; 39:2,4

[102] Richt. 5:19; 2 Kon. 9:27; 23:29; 2 Kron. 35:22-25; Zach. 12:11

[103] Jes. 66:6

[104] Openb. 8:5; 11:19

[105] Openb. 14:10

[106] Zie bijv. 1 Petr. 5:13

[107] 2 Baruch 67:7; Sibillijnse Orakelen 5:143,159

[108] Openb. 6:12-14

[109] Openb. 11:19

[110] Openb. 13:1 ev.

[111] Sibillijnse Orakelen 4:119-122,137-139; 5:28-34

[112] Openb. 13:3

[113] Openb. 13:13

[114] Dan. 7:20,24

[115] De beschrijving heeft sterke overeenkomsten met Ez. 26 en 27

[116] Openb. 16:16

[117] Zie bijv. 2 Kon. 6:17.

[118] Openb. 6:9

[119] Ez. 38:1-39:16

[120] Ez. 38:16,17

[121] Ez. 39:2

[122] Zie ook Sibillijnse Orakelen 3:319,512.

[123] Evenals in Dan. 7:10.

[124] Jes. 35:10, 51:11

[125] Jes. 65:17,19

[126] Zie Ez. 48:31-35

[127] Zie Ez. 40:3 en Zach. 1:16. Zie ook Openb. 11:1.

[128] 1 Kon. 6:20

[129] Ez. 47:1

[130] Ez. 47:12