Wake up!

Kritische bespreking van het boek van Arno Lamm en Emile-Andre Vanbeckevoort.

   

Een boek dat de pretentie heeft de waarheid (in dit boek met een hoofdletter ‘W’ geschreven) te verkondigen en aan te geven dat de kerk al 20 eeuwen de Bijbel verkeerd heeft gelezen, roept vragen op. Bij herhaling wordt verwezen naar de tekst uit Daniël dat de woorden voor hem verzegeld waren en de schrijvers geven aan dat zij nu in staat zijn te decoderen wat Daniël niet kon. Dit wekt uiteraard mijn nieuwsgierigheid.

Inzet van de auteurs is dat men terug wil naar de wijze waarop in de eerste eeuw met de Bijbel is omgegaan, en alle latere tradities en interpretaties wil negeren. Dat is een uitgangspunt dat mij zeer aanspreekt. Maar gelijk op de eerste bladzijden van het boek wordt ik teleurgesteld. Zonder enige toelichting wordt gesproken over de Opname van de Gemeente. Een leerstuk waarvan geen vermel­ding bekend is vóór de vierde eeuw n.Chr., en die pas brede bekendheid heeft gekregen sinds 1830. De schrijvers gaan consequent uit van de Dispensationalistische visie, waarin de gemeente wordt opgenomen in de hemel, en er vervolgens op aarde de Grote Verdrukking uitbreekt die eindigt met de Wederkomst.

De schrijvers geven aan grote waarde toe te kennen aan de mondelinge Thora, de Joodse tradities die zijn ontstaan onder de rabbijnen als toelichting en aanvulling op de boeken van Mozes, en die uiteindelijk schriftelijk zijn vastgelegd in diverse boeken en gebundeld bekend geworden als de Talmoed. Men stelt dat zonder kennis van deze mondelinge tradities bepaalde teksten uit het Nieuwe Testament moeilijk te begrijpen zijn, en dat er voldoende aanwijzingen zijn dat Jezus deze tradities kende. Ook daar ben ik het van harte mee eens. De schrijvers gaan echter nog een stap verder. Zij stellen dat wij als christenen ook de Rabbijnse wijze van uitleggen moeten toepassen. De Rabbijnen erkennen naast de letterlijke betekenis van een tekst ook geestelijke en verborgen betekenissen. De onderbouwing waarom wij op deze wijze het Oude Testament moeten lezen vind ik erg zwak. Naar mijn mening kun je inderdaad aangeven dat uit bepaalde teksten blijkt dat de Rabbijnse uitlegmethode bekend was, maar dat is nog geheel iets anders dan stellen dat deze methode gezaghebbend is. Nergens vind ik in het Nieuwe Testament een aanwijzing dat deze exegetische methode als gezaghebbend wordt gezien. Er zijn toespelingen in het Nieuwe Testament op Joodse tradities, op buitenbijbelse bronnen, op Rabbijnse uitleggingen. Dat klopt, en kennis ervan helpt ons om deze teksten uit het Nieuwe Testament beter te begrijpen. Maar dat is nog iets heel anders dan op basis hiervan te stellen dat wij dus deze wijze van omgaan met de Bijbel moeten overnemen. Daarvoor ontbreekt volgens mij de basis.

De auteurs komen gelijk al met een toepassing van deze methode van uitleg. In het Nieuwe Testament lezen we dat Jezus Christus de Alpha en de Omega is. Dat zijn de eerste en laatste letter van het Griekse alfabet. Zij geven aan dat Jezus te vinden is in het Oude Testament daar waar het woord “AT”, het eerste en laatste letter van het Hebreeuwse alfabet (aleph en tav), gebruikt wordt. Dit woord is in het Hebreeuws een ‘nota accusativus’, een woord dat aangeeft dat het erop volgende woord een lijdend voorwerp is. Het wordt in het Nederlands daarom niet vertaald. De schrijvers geven aan dat hier in het Oude Testament reeds Jezus wordt aangeduid, en in de paar voorbeelden die zij noemen lijkt dit inderdaad mooie betekenissen van een oudtestamentische tekst op te leveren. Echter, in vele andere duizenden gevallen waarin dit woord wordt gebruikt levert de toe­passing van deze wijze van lezen onzinnige betekenissen op. Aangegeven wordt dat de oude Rabbijnen in dit woord reeds een verwijzing naar God zagen, maar het is jammer dat nu net hier een voetnoot met referentie ontbreekt, terwijl het boek toch rijkelijk voorzien is van voetnoten. Uit deze voetnoten blijkt dat deze gedachte over de betekenis van de ‘nota accusativus’ niet door de schrijvers zelf is verzonnen maar in andere recente literatuur beschreven wordt. En in die literatuur wordt aangegeven dat in bijna 300 gevallen de interpretatie dat Jezus wordt aangeduid met dit woord ‘AT’ zinvol is. En in alle andere gevallen van de bijna 10.000 maal dat dit woord in het Oude Testament voorkomt dus niet. Met andere woorden, in 97% van de gevallen is het volstrekt onzinnig om het woord ‘AT’ als verwijzing naar Jezus te zien. Overigens maken de schrijvers nog een foutieve verwijzing naar Ez. 9:4-6. Daar wordt vermeld dat de gelovigen een teken ontvangen zodat ze ontkomen aan het oordeel van de engelen. Dit wordt gezien als een verwijzing naar het woord “AT” dat op hun voorhoofd geschreven zou zijn. Dit is niet correct; het gaat hier alleen om de letter “T” (de ‘tav’) die in het oud-hebreeuws werd geschreven als een ‘x’, en niet om het woord “AT”. Deze gelovigen kregen dus gewoon een kruisje op het voorhoofd.

De schrijvers blijken aanhangers te zijn van de ELS methode. Hierin worden alle letters van de Thora zonder spaties in een computer gezet, en wordt gezocht naar verborgen codes. Dus als we beginnen in Gen. 1:14 te lezen met de derde letter in het eerste woord en elke 930ste letter naar links lezen (Hebreeuws wordt geschreven van rechts naar links) dan komen we naar men beweert achter­een­volgens de woorden Adam, Eva, Kaïn, Abel en Seth tegen. In Genesis zouden op vergelijkbare wijze alle Hebreeuwse kalendermaanden en de namen van de Bijbelse feesten terug te vinden zijn. Deze wijze van omgaan met de Bijbel is niet onomstreden. Het gaat ervan uit dat de tekst zoals we die nu hebben tot op de letter gelijk is aan de tekst die Mozes heeft geschreven, en dat die tekst letter voor letter door God is gedicteerd. Nu is de wijze waarop de Rabbijnen van generatie op generatie de Bijbel hebben overgeschreven verbluffend nauwkeurig geweest, dit neemt niet weg dat er af en toe twijfel is over de precieze tekst. Verder is onduidelijk waarom uitgegaan wordt van een tekst zonder spaties, als of die spaties niet ook net zo geïnspireerd zouden zijn dan de letters. Ook de opvatting dat God letter voor letter de Thora heeft gedicteerd aan Mozes staat wat mij betreft ter discussie. Zou Mozes zijn eigen dood hebben opgeschreven op bevel van God? De methode is voor het eerst beschreven in 1994, en men heeft computers nodig om de codes te vinden. Dit roept veel vragen op, met name omdat langere codes niet onafhankelijk te controleren zijn, tenzij iemand veel tijd aan tellen wil gaan besteden. Kortere codes zijn wel eenvoudig te controleren, maar hier is statistisch van aangetoond dat deze niet bijzonder zijn. Aangezien het Hebreeuws alleen medeklinkers heeft vindt men al snel bij het toepassen van deze methode een herkenbaar woord. Afgezien van het feit of de codes nu wel of niet in de tekst verborgen zouden zitten, is er natuurlijk de vraag wat je ermee moet. En dan is het antwoord: niets. Hooguit zouden ze kunnen aantonen dat de tekst van de Thora een bovennatuurlijke oorsprong heeft.

In een volgend hoofdstuk worden zeven tijdlijnen genoemd die aangeven wanneer het einde der tijden aanbreekt. Uitgangspunt van de schrijvers is dat de profetische teksten pas kort vóór hun vervulling betekenis hebben. Hier ben ik het fundamenteel mee oneens. Alle openbaringen van God zijn in eerste instantie gericht tot bepaalde mensen in een bepaalde tijd, en hebben voor die mensen een betekenis gehad. Uiteraard zijn er teksten die we nu veel beter kunnen begrijpen dan toen, bijvoorbeeld omdat we leven na de vervulling van de profetieën over de komst van de Messias. Dat neemt niet weg dat het belangrijk is om na te gaan welke betekenis de eerste hoorders of lezers aan de tekst gaven. Ook teksten over de eindtijd hebben niet pas een betekenis in de periode die direct voorafgaat aan de eindtijd, maar hebben voor alle christenen de eeuwen door een betekenis.

De eerste traditie die wordt aangehaald is de bekende Joodse indeling van de wereldgeschiedenis in 7 perioden van 1000 jaar. Zo is er een tekst in de Talmoed die spreekt over 2000 jaar zonder Thora, 2000 met de Thora, 2000 jaar van de Messias en 1000 jaar Sabbatsrust. En dan begint het rekenen. Immers, we leven in het Joodse jaar 5776, dus moeten we nog 224 jaar geduld hebben. De schrijvers beweren dat er echter moedwillig verschuivingen zijn aangebracht in de telling. De berekening is ontstaan in de 2de eeuw. Om ervoor te zorgen dat niet Jezus maar Simon bar Kochba die in 130 n.Chr. in opstand tegen de Romeinen kwam de Messias zou zijn, werd de kalender 164 jaar verschoven. Het getal 164 komt dan voort uit het feit dat in 164 v.Chr. de tempel, die ontwijd was in 167 v.Chr., weer heroverd is op de Seleuciden. De logica van deze redenering ontgaat me volledig; om te verschuiven van Jezus naar Bar Kochba moet ongeveer 100 jaar verschoven worden en niet 164 jaar. Maar, stellen de auteurs, de feitelijke verschuiving is 215 tot 243 jaar, zodat het Duizendjarig Rijk dus elk moment kan aanbreken. Waar deze bewering op gebaseerd is blijft onduidelijk. In een voetnoot wordt erop gewezen dat er 164 jaar vergeten zou zijn tussen de inwijding van de tweede tempel en de verwoesting ervan in 70 n.Chr. Aangezien de tweede tempel is ingewijd in 515 v.Chr, ontwijd is ­in 167 v.Chr. en weer opnieuw is ingewijd in 164 v.Chr. klopt deze berekening niet aangezien het dan zou gaan om 164+70=234 jaar en niet om 164 jaar (eigenlijk gaat het om 233 jaar omdat in de Juliaanse jaartelling die hier gehanteerd wordt het jaar 0 wordt overgeslagen).  Noch uitgaande van de oorspronkelijke inwijding in 515 v.Chr. noch van de herinwijding in 164 v.Chr. komt men tot een periode van 164 jaar tot aan de verwoesting in 70 n.Chr. Overigens zijn er wel meer problemen als men deze indeling van de geschiedenis in 7 maal 1000 jaar erg letterlijk wil nemen, aangezien de wetgeving op de Sinaï gewoonlijk ergens in het jaar 1500 v.Chr. wordt gedateerd en de periode tot de Messias dus geen 2000 jaar maar veel korter is geweest. Bovendien, als er 2000 jaren van de Messias zijn, dan moet het Joodse jaar 6000 samenvallen met ons jaar 2033, precies 2000 jaar na de kruisiging en opstanding van Jezus. Dat is dan het jaar 5794 volgens de Joodse telling, een verschuiving van 206 jaar.

De tweede tijdlijn is de droom van Nebukadnessar over het beeld. Opvallend is dat de schrijvers hier kiezen voor een uitleg waarin vijf rijken elkaar opvolgen en niet – zoals gewoonlijk uitgelegd wordt – vier rijken. Het leem is dan het Romeinse Rijk (en eventueel het Ottomaanse Rijk) en de voeten van ijzer en leem verbeelden dan de laatste wereldorde (wat dat dan ook zijn mag).

In de derde plaats wordt gewezen op een onderzoek van een geleerde die aangeeft dat er tussen Adam en Abraham precies 4 maal 490 jaar zit, tussen Abraham en de Uittocht 490 jaar (in werkelijk­heid 515 jaar maar de 15 jaar tussen de geboorte van Ismaël en Izaäk telt niet mee in Gods Verlossingskalender volgens de schrijvers), tussen de Uittocht en het afronden van de tempelbouw door Salomo eveneens 490 jaar (volgens 1 Kon. 6:1 was dit 480 jaar; de schrijvers voegen hier nog 10 jubeljaren aan toe), tussen de inwijding door Salomo en het bevel van Artaxerxes om de tweede tempel te bouwen 490 jaar (in werkelijkheid was dat 560 jaar, maar de 70 jaar ballingschap telt volgens de schrijvers niet mee in Gods Verlossingsplan) en tot slot tussen dit bevel tot herbouw en de kruisiging ook precies 490 jaar. In totaal gaat het dus om 8 perioden van ‘precies’ 490 jaar. Per periode worden dan nog 10 jubeljaren opgeteld waarbij men dan op 8 maal 500 jaar oftewel 4000 jaar uitkomt. Met deze telling zijn een aantal problemen. Het is mij een raadsel hoe iemand zo precies denkt te kunnen berekenen wanneer Adam is geschapen. Vervolgens zit er bovendien een wiskundige fout in, immers in de telling van het aantal jaren tussen de inwijding van de eerste tempel en het bevel tot bouw van de tweede tempel waren al 10 jubeljaren gerekend, en die 10 jubeljaren worden tot slot nog eens erbij op geteld. En van Abraham tot de Uittocht is 515 minus 15 jaar correctie maakt 500 jaar. Daar worden vervolgens dan nog 10 jubeljaren bij opgeteld, waarmee deze periode op 510 jaar uitkomt. Bovendien gaan de schrijvers er vanuit dat het jubeljaar een extra jaar was dat kennelijk volgde op het zevende sabbatsjaar, terwijl men in het algemeen ervan uitgaat dat het jubeljaar het 49ste jaar zelf was en niet een toegevoegd 50ste jaar. Daarmee vervalt het argument om de 10 jubeljaren op te tellen bij de 490 jaar per periode. En de schrijvers zijn niet consequent. Immers in het betoog over de indeling van de jaar geschiedenis in 7 perioden van 1000 jaar werd gesteld dat de tijd van Adam tot de wetgeving precies 2000 jaar zit, terwijl nu dit 2015 jaar blijkt te zijn omdat de tijd tussen de geboorte van Ismaël en Izaäk meegeteld moet worden. En terwijl eerder gesteld werd dat de tijd tussen de wetgeving en de komst van de Messias eveneens precies 2000 jaar is, blijkt dit nu opeens 2070 jaar te moeten zijn vanwege de periode van de ballingschap.

In Gen. 6:3 staat: “Mijn Geest zal niet altijd in de mens blijven, nu zij zich misgaan hebben; hij is vlees; zijn dagen zullen 120 jaar zijn”. De schrijvers lezen dit als een aanduiding dat de mensheid 120 jubel­jaren zal bestaan. Als men dan het jubeljaar als 50 ste jaar ziet, dan komt men opnieuw op 6000 jaar. Dit is een ongebruikelijke en bovendien ook erg gezochte uitleg van deze tekst uit Genesis.

Met instemming wordt een studie van een 19de-eeuwse geleerde aangehaald. Deze komt met een interpretatie van de 70 jaarweken van Daniël. Hij begint te tellen vanaf het bevel van Artaxerxes in 445 v.Chr. Vanaf die datum telt hij 69 maal 7 jaar. Voor een jaar neemt hij dan 360 dagen aangezien het gaat om een profetische Hebreeuwse kalender. Waarom een profetische Hebreeuwse kalender (een begrip dat deze geleerde zelf verzonnen heeft) 360 dagen moet tellen ontgaat mij. Door te tellen vanaf 15 maart 445 v.Chr. komt hij dan uit op 6 april van het jaar 32 n.Chr., de datum van de intocht van Jezus in Jeruzalem. Volgens deze geleerde dan, want inmiddels is men het er algemeen over eens dat de intocht en kruisiging hebben plaatsgevonden in het jaar 33 n.Chr., een jaar later dus. Verderop in het boek blijkt dat de schrijvers ervan uitgaan dat de 17de Nisan op een zondag viel, en dit betekent dat niet 32 n.Chr. maar 33 n.Chr. bedoeld moet zijn aangezien in 32 n.Chr. de 17de Nisan niet op een zondag viel. Maar belangrijker nog: het bevel van Artaxerxes was in 457 v.Chr. En dat weten de schrijvers, want eerder gaven ze al aan dat er 490 jaar verlopen is van dit bevel tot de kruisiging.

De 6de tijdlijn die wordt genoemd is opmerkelijk. De redenering begint in Ez. 4, waar de profeet 390 dagen op zijn linkerzijde moet gaan liggen als teken voor het aantal jaren dat Israël zal worden gestraft voor zijn zonden, en vervolgens 40 dagen op zijn rechterzijde voor de zonden van Juda. In totaal gaat het dus om een straf van 430 jaar. Het volk is als straf 70 jaar in ballingschap gestuurd, dus blijven er nog 360 jaar over. Dan wordt gewezen op Leviticus 26, waar gesproken wordt over het zevenvoudig tuchtigen als het volk zondigt. Deze factor 7 wordt genomen voor de resterende 360 jaar, waarbij men uitkomt op 2520 jaar. Neemt men dan een jaar van 360 dagen, dan gaat het om 2483 jaar, 9 maanden en 14 dagen. Telt men dan vanaf het decreet van Kores om terug te keren naar Jeruzalem in 537 v.Chr., dan komt men uit op 1948, het jaar van de oprichting van de staat Israël. Telt men vanaf het decreet van Darius – die na een periode waarin de herbouw van de tempel stil gelegen heeft bevel geeft de herbouw te vervolgen - in 518 v.Chr. dan komt men uit op 1967, het jaar van de herovering van Jeruzalem. Te mooi om waar te zijn? Er is in elk geval wel wat op af te dingen. Het decreet van Kores wordt door de meeste geleerden gedateerd op 539 v.Chr. en het decreet van Darius op 520 v.Chr. En waarom geldt de vermenigvuldigingsfactor van 7 niet voor de ballingschap en wel voor het restant van de periode? Als men consequent is dan telt de ballingschap slechts voor 10 jaar, immers door de vermenigvuldiging met 7 wordt dit dan de 70 jaar die de ballingschap geduurd heeft. De hele berekening lijkt een beetje geforceerd te zijn. Voor de periode van de ballingschap wordt de tijd van 605 v.Chr. tot 537 v.Chr. genomen. In werkelijkheid gaat het om de periode van 597 v.Chr. tot 539 v.Chr. De tempel is verwoest in 587 v.Chr. en de schrijvers berekenen dan 70 jaar tot het decreet van Darius, die echter niet in 518 v.Chr. maar in 520 v.Chr. wordt gedateerd. Zonder meer is het decreet van Darius een ongebruikelijke datum voor de datering van de herbouw van de tempel. Die herbouw is begonnen met het decreet van Kores in 539 v.Chr. of een jaar later als de ballingen daadwerkelijk in Jeruzalem aankomen, en eindigt met de inwijding in 515 v.Chr. De ballingschap zou volgens de profeet Jeremia 70 jaar duren, en is ook in de praktijk ongeveer het geval geweest. Maar sterker nog, nergens in de Bijbel wordt gesproken over een periode van 70 jaar waarin de tempel verwoest zal zijn. Er is dus helemaal geen basis om naast de eerste tijdslijn, die in 1948 zou uitkomen, nog een tweede tijdslijn tot 1967 te veronderstellen. Tot wil ik nog wijzen op een andere inconsistentie. De periode van 70 jaar van de ballingschap en de belofte van de terugkeer betreffen de Babylonische ballingschap en niet de Assyrische ballingschap die een eeuw eerder plaatsvond. De Assyrische ballingschap betrof het 10-stammenrijk en de Babylonische ballingschap het 2-stammenrijk. Als Ezechiël 40 dagen op zijn zijde moet liggen voor de zonden van Juda, dan moeten de schrijvers als ze consequent zijn deze 40 dagen in verbinding brengen met de 70 jaar ballingschap. En dan moet men de 390 dagen dat de profeet op zijn andere zijde lag in verbinding brengen met de Assyrische ballingschap die begon in 732 v.Chr. Nergens lijken de schrijvers oog te hebben voor het verschil tussen de Assyrische ballingschap van het 10-stammenrijk en de Babylonische ballingschap van het 2-stammenrijk.

Het zevende en laatste punt dat genoemd wordt is dat in 2014 en 2015 op zowel Pesach als het Loofhuttenfeest er een volledige maansverduistering is.  Dat in twee opeenvolgende jaren tijdens deze feesten er een volledige maansverduistering is geweest is sinds het begin van de jaartelling slechts 7 maal eerder gebeurd, en in alle gevallen is het een teken van moeite voor het Joodse volk geweest, beweren de schrijvers. De vorige keer was 1967-1968 en viel dus in de periode van de 6-daagse oorlog, de keer ervoor was 1949-1950 en voorspelde de confrontaties van 1956. Gaan we verder terug dan voorspelde de maansverduisteringen van 1493-1494 de Spaanse inquisitie die begon met een edict in 1492. In werkelijkheid begon de inquisitie echter in 1478, ruim voor deze maansverduisteringen. En voor de andere vier maal dat deze maansverduisteringen voorkwamen is de verbinding met perioden van moeite voor Joden niet te maken. Ook de Bijbelse achtergrond is niet correct. In de Bijbel wordt een maan als bloed regelmatig verbonden met de komst van de dag des Heren, maar altijd in combinatie met andere natuurverschijnselen.  En het beperken van de betekenis van de komst van de ‘dag des Heren’ tot ‘moeiten voor de Joden’ doet aan de Bijbelse boodschap te kort. Sterker nog, waarom heeft de maansverduistering alleen betekenis als gedurende twee opeenvolgende jaren deze samenvalt bij beide feesten? Het komt vaker voor dat er op zowel Pesach als het Loofhuttenfeest er een maansverduistering is. En het komt nog vaker voor dat op één van beide feesten de maan bloedrood is. Op basis van welke Bijbelse redenering telt dat dan niet? Overigens, van de vier genoemde maansverduisteringen in 2014 en 2015 waren er drie niet zichtbaar in Israël, maar dat terzijde.

Vervolgens wordt er een hoofdstuk gewijd aan de relatie tussen de christenen uit de heidenen en de Joden. Hoewel het Gods bedoeling was dat de heidenen zouden worden geënt op de stam Israël is er een breuk gekomen tussen beide. Sterker nog, in de kerkelijke traditie is veel haat tegen de joden gekomen en dit is mede oorzaak van de vervolgingen de eeuwen door geweest. In het algemeen kan ik van harte instemmen met de inhoud van dit hoofdstuk. Aan het einde ervan blijkt echter dat de schrijvers uitgaan van een opname van de gemeente en het dispensationalisme aanhangen. Met twee opmerkelijke kanttekeningen. In de klassieke versie van het dispensationalisme gaat men ervan uit dat God eerst Zijn Verbond opgericht heeft met Israël, dat sinds de komst van Jezus Zijn Verbond de nieuwtestamentische gemeente betreft en na de opname van de gemeente God de draad met Israël weer zal oppakken. De schrijvers brengen hier echter een correctie op aan: het Verbond dat God nu heeft met ons betreft ook degenen uit de Joden die de Messias erkennen. Na de opname zal God dan ervoor zorgen dat de rest van Israël tot inzicht komt. De tweede opvallende opmerking betreft de bouw van de tempel. De schrijvers gaan ervan uit dat de derde tempel er komt, maar dat dit de zetel van de antichrist zal worden. Ook dit staat haaks op de klassieke dispensationalistische visie. Overigens ontbreekt de exegetische onderbouwing van deze visie op de eindtijd volledig.

Dan komt er een uitgebreid deel over de feestdagen. De schrijvers geven aan dat de eerste christenen – ook de heidenen – de oudtestamentische feestdagen vierden, en dat er oneigenlijke argumenten gebruikt zijn om die feestdagen af te schaffen. Tevens geven ze aan op basis van Kol. 2:16-17 dat de feestdagen schaduwen zijn van wat nog moet gaan gebeuren, en daarom voor ons een betekenis hebben.

Om de feestdagen als schaduwen toe te lichten, wordt regelmatig gebruik gemaakt van buiten­bijbelse Joodse literatuur. Abraham en Jacob vierden al het Loofhuttenfeest en de Grote Verzoendag volgens Jubileeën. Izaäk was toen Abraham bevel kreeg hem te offeren ongeveer net zo oud als Jezus toen Hij gekruisigd werd volgens de Brief van Barnabas en het binden van Izaäk op het altaar vond plaats op de 14de Nisan, de datum van Pesach, volgens Jubileeën. De schrijvers vermelden verder dat op de 15de Nisan Daniël in de leeuwenkuil werd gegooid, Sodom en Gomorra werden vernietigd en de eerstgeborenen van Egypte werden begraven. In al deze gevallen ontbreekt de verwijzing naar de bron hiervoor, maar in de Bijbel staat dit in elk geval niet.

Opnieuw komen de schrijvers terug op de uitspraak van Jezus in de Openbaring aan Johannes dat hij de Alpha en de Omega is. Dat moet Hij in het Hebreeuws gezegd hebben, zeggen de schrijvers, en dan staat er aleph – vav – tav (de ‘aleph’ is de eerste letter van het Hebreeuwse alfabet, de ‘vav’ is in het Hebreeuws het woord ‘en’, en de ‘tav’ is de laatste letter van het Hebreeuwse alfabet). Nu zijn de Hebreeuwse letters ontstaan vanuit een pictogrammenschrift. Dus elke letter is een plaatje geweest. De schrijvers stellen dat de ‘aleph’ het teken is van de leider, de ‘vav’ van een pin en de ‘tav’ van een kruis. Hoe symbolisch! Echter, de ‘aleph’ is een os of een stier, de ‘vav’ een haak en de ‘tav’ een teken (vergelijkbaar met de Nederlandse ‘x’). Bovendien heb ik er de Hebreeuwse vertalingen van het Nieuwe Testament erop nagezocht, en dan is kennelijk de meest waarschijnlijke weergave van de Hebreeuwse tekst (in het Nederlands weergegeven): ‘Ik ben de Aleph en de Tav’ en niet ‘Ik ben A&T’. Met andere woorden, de letters Aleph en Tav werden gespeld, en bovendien stonden er lidwoorden voor (de Aleph, de Tav).

Het eerste en tweede feest dat besproken wordt is het Pesachfeest en het Feest van de Ongezuurde Broden. Terecht zien de schrijvers vele parallellen met de lijdensgeschiedenis. Opvallend is dat zij stellen dat de kruisiging op donderdag moet hebben plaatsgevonden. Het is een oude discussie, waar de meeste theologen anders over denken.

Dan wordt het Eerstelingenfeest besproken. Dit is het moment dat Jezus uit de dood is opgestaan. Opvallend is de uitspraak dat Jezus na de opstanding eerst naar de hemel is gegaan om zichzelf als beweegoffer in de hemelse tempel aan te bieden, toen weer terug naar de aarde is gegaan en na veertig dagen opnieuw naar de hemel is gegaan. De argumentatie hiervoor (o.a. Maria die Jezus niet mocht aanraken) is niet overtuigend. Volgens de schrijvers valt deze dag, de 17de Nisan, samen met de dag dat de ark na de zondvloed weer aan de grond komt en met de verlossing van het volk Israël van de Farao na de doortocht door de Rode Zee. Dat eerste klopt, maar het tweede is niet na te rekenen. Ook is de 17de Nisan de dag dat het volk na het overtrekken van de Jordaan voor het eerst at van de vruchten en groenten van het land.

Het volgende (vierde) feest is het Wekenfeest. Opnieuw verwijzen de schrijvers naar Jubileeën, waar staat dat Abraham, Izaak en Jacob dit feest al vierden, het vervolgens vergeten werd en God het bij de berg Sinaï weer instelde als teken van het opnieuw gesloten verbond. De schrijvers gebruiken het feit dat het Wekenfeest vervuld is in de komst van de Heilige Geest en het feit dat dit feest een herdenking is aan de Tien Geboden die op de Sinaï aan Mozes gegeven werden om een betoog te voeren over de verhouding tussen geloof en wet. Een interessant betoog, maar de schrijvers gaan er volledig aan voorbij dat pas zeer laat in de Joodse traditie het Wekenfeest niet alleen een oogstfeest was maar ook een herdenking van de Tien Geboden. In eerste instantie was het alleen een oogst­feest.

De drie najaarsfeesten, Bazuinenfeest, Grote Verzoendag en Loofhuttenfeest,  zijn volgens de schrijvers een voorafschaduwing van de wederkomst. Het eerste feest is het Bazuinfeest. Twee teksten van Paulus over de wederkomst waarin gesproken wordt over de Laatste Bazuin, 1 Kor. 15:51-52 en 1 Thess. 4:15-17, handelen volgens de schrijvers over de Opname van de Gemeente. Volgens de schrijvers gaan Joodse tradities uit van een opstanding van de doden op een Bazuinfeest. Als in Matt. 24:31 gesproken wordt over ‘luid bazuingeschal’ dan gaat het volgens de schrijvers over de Grote Bazuin bij de Grote Verzoendag, beeld van de Wederkomst na de Grote Verdrukking. En als in Openb. 4:1 gesproken wordt van een ‘stem alsof er een bazuin spreekt’ dan is dit volgens de schrijvers de Laatste Bazuin van de Opname. Verder wordt verwezen naar een Joodse traditie dat de hemelpoort openstaat vanaf het Bazuinenfeest tot de Grote Verzoendag. Wat betreft de tussen­periode tussen de Opname en de Wederkomst wordt verwezen naar een traditie uit de Talmoed, waarin gezegd wordt dat tijdens de Bazuinendag iedereen wordt ingedeeld in één van de drie categorieën: de rechtvaardigen (die opgenomen worden), de onrechtvaardigen (die worden geoordeeld) en een tussencategorie van lauwe christenen die nog de gelegenheid krijgen zich te bekeren. Om een Bijbelse onderbouwing te vinden voor die tussencategorie wordt verwezen naar de gelijkenis van de 5 wijze en 5 dwaze maagden. De schrijvers leggen die zo uit dat de 5 dwaze maagden nog een herkansing krijgen tijdens de Grote Verdrukking. Er wordt nog gewezen op een andere parallel. Voor het vaststellen van het juiste moment van het Bazuinenfeest moesten twee rabbijnen overeenstemming hebben bereikt over het feit dat er een dun streepje maan te zien was. Dit betekent dat de precieze aanvang van dit feest niet op de dag nauwkeurig vast te stellen was. De schrijvers zien hierin een verwijzing naar het feit dat de Opname volslagen onverwachts zal komen.

De Grote Verzoendag wordt in Jubileeën verbonden met Jacob die rouwt om de dood van zijn zoon als hem het bebloede kleed van Jozef wordt getoond. Verder geven de schrijvers aan op basis van Rabbijnse tradities dat Mozes op de Grote Verzoendag – nadat hij voor de tweede keer de Tien Geboden had gekregen – de berg weer afkwam. Vervolgens wordt uitgeweid over het verschil tussen Pesach en de Grote Verzoendag. Conclusie van de schrijvers is dat Pesach betrekking heeft op de eenmalige vergeving van zonden van iemand die tot bekering komt, en de Grote Verzoendag ziet op Jezus als Middelaar voor degenen die zondigen nadat ze tot bekering gekomen zijn. Pesach is een feest van herdenken van een gebeurtenis dat plaats gevonden heeft, de Grote Verzoendag is een gedenken van Jezus als Middelaar. Hieraan verbinden de schrijvers dan de conclusie dat het feest van de Grote Verzoendag nog niet geheel vervuld is. Pas bij de Wederkomst is dit feest volledig vervuld. De hele redenering komt erg geforceerd over. Het is een en hetzelfde bloed dat vergoten is waarmee Pesach en de Grote Verzoendag in vervulling zijn gegaan. De Wederkomst wordt door de schrijvers verbonden met een aantal gebeurtenissen. De laatste jaarweek van Daniel breekt aan. Er zijn meer theologen die deze verbinding maken, maar het is wel typisch om de jaarweken voor een lange tijd te onderbreken en de laatste week te ‘bewaren’ voor de periode na de Wederkomst. In de tweede plaats wordt de Wederkomst verbonden met het feit dat alle Joden die dan nog niet bekeerd zijn, tot inzicht komen dat Jezus de Messias is. Dit wordt gelezen in Zach. 13:1 en Rom. 11:26. Het is sterk de vraag of dit in Zacharia werkelijk staat, en het verbinden van deze tekst en de tekst uit Romeinen met de Wederkomst is een keuze van de schrijvers waar vraagtekens bij gezet kunnen worden. In de derde plaats wordt het symbool waarop de zonden op de kop van Azazel worden gelegd bij de Grote Verzoendag gekoppeld aan het binden van de satan gedurende het Duizendjarige Rijk; opnieuw een keuze van de schrijvers die ter discussie staat. Na de Wederkomst breekt er eerst een periode aan van de Verdrukking van de Joden gedurende 3½ jaar en een periode van de gramschap van God (de zeven schalen). Dan volgt het 1000-jarig Vrederijk als de satan gebonden zal zijn, een eindstrijd en de definitieve komst van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. Deze uitleg – die sterk afwijkt van de klassieke dispensationalistische uitleg waarin gewoonlijk wordt aangenomen dat met de Weder­komst het 1000-jarig Vrederijk direct aanbreekt – roept heel veel vragen op en de argumenten om deze volgorde te kiezen worden niet genoemd. In het beeld van de Openbaring aan Johannes: de schrijvers plaatsen de Wederkomst eigenlijk tussen de 7 zegels en de 7 bazuinen, en dat is opvallend te noemen.

Tot slot het Loofhuttenfeest. Volgens de schrijvers werd op dit feest de tempel van Salomo ingewijd. In 1 Kon. 8 staat wel dat dit in de zevende maand was, maar niet op welke dag. Verder geven de schrijvers aan dat vermoedelijk Jezus geboren is aan het begin van dit feest. Dat is echter zeer de vraag. Opnieuw verwijzen de schrijvers naar Jubileeën, waarin staat dat Abraham dit feest al vierde en Jacob aan dit feest een dag toevoegde. Verder wordt verwezen naar een tekst uit Zach. 14:16, waaruit zou blijken dat in het Vrederijk alle naties worden verplicht dit feest te vieren. De schrijvers zien het Loofhuttenfeest als een voorafschaduwing van het 1000-jarig Vrederijk. Zoals hiervoor vermeld geven de schrijvers aan dat de Wederkomst niet onmiddellijk gevolgd zal worden door het 1000-jarig Vrederijk, zoals de dispensationalisten gewoonlijk leren, maar dat er nog een periode van verdrukking en Gods gramschap aan vooraf zal gaan. Het heeft er sterk de schijn van dat de schrijvers door hun eigen schema zich gedwongen weten deze zeer ongebruikelijke uitleg te kiezen.

Er wordt nog een bijzondere parallel met de oogsten gelegd. De eerste oogst is de gersteoogst. Hier werd het kaf van het koren gescheiden door het gerst met de wanvork in de lucht te gooien, zodat het kaf door de wind wegwaaide. Dit verwijst naar de Opname. Daarna komt de tarweoogst. Dit wordt gedorst met een dorsslede. Dit verwijst naar de Grote Verdrukking. Immers een dorsslede is in het Latijn een ‘tribulum’, en van dit woord komt het Engelse woord ‘Tribulation’, Verdrukking. Echter, deze twee oogsten waren gekoppeld aan Pesach en het Wekenfeest, niet aan het Bazuinenfeest en de Grote Verzoendag. En zouden de schrijvers zich gerealiseerd hebben dat het beeld van de gersteoogst een opmerkelijke toepassing krijgt als je je realiseert dat het kaf naar de hemel gaat en het koren op aarde blijft? Overigens is er nog een derde oogst, namelijk van de druiven en olijven. Die worden geperst. Maar wat daar dan de toepassing van moet zijn ontgaat mij.

In een apart hoofdstuk wordt het Joodse huwelijksceremonieel beschreven. Deze vinden we niet in de Bijbel, en we hebben helaas erg weinig informatie over het huwelijksceremonieel uit de Bijbelse periode. Er worden zeer waardevolle opmerkingen gemaakt over verwijzingen in de Bijbel naar het huwelijk. Het moment dat de bruidegom de bruid ophaalt wordt vergeleken met de Opname. Vervolgens verblijven bruid en bruidegom volgens de schrijvers 7 dagen in het bruidsvertrek, waarna ze zich vertonen aan de gasten en het bruiloftsmaal wordt gevierd. Dit wordt vergeleken met de Wederkomst. Informatie gevonden op Internet geeft een heel ander beeld: de eerste nacht wordt het huwelijk geconsumeerd in het bruidsvertrek in het huis van de vader van de bruidegom, de bewijsstukken van de maagdelijkheid (kleed met bloedvlekken) wordt overhandigd aan de getuige, het resultaat wordt meegedeeld aan de gasten en het feest brandt los. Het is inderdaad wel zo dat na 7 dagen feest bruid en bruidegom hun nieuwe woning betrekken. Als we de parallel doortrekken, dan zijn de gasten dus degenen die bij de Opname achterblijven en de Verdrukking meemaken. En als we de parallel nog verder doortrekken komen we tot wel hele vreemde conclusies.

Het laatste hoofdstuk handelt over de vier verbonden. De schrijvers onderscheiden het bloed­verbond, het zoutverbond (een woord dat in de Bijbel alleen in relatie met het koningschap van David wordt gebruikt), het sandaalverbond (ontleent aan het boek Ruth; komt verder nergens voor in de Bijbel) en het huwelijksverbond.  Het blijft onduidelijk hoe dit schema op de heilsgeschiedenis wordt gelegd. Het zijn in elk geval stadia die een gelovige in zijn geestelijke groei moet doormaken volgens de schrijvers.

Het wordt tijd voor conclusies. Het eerste deel van het boek handelt over tijdslijnen. Nadere bestudering van de redeneringen van de schrijvers laten zien dat de schrijvers te veel willen. Tal van details kloppen niet, zijn aantoonbaar onjuist, zijn te veel in het schema geduwd. De Rabbijnse traditie over de 7 perioden van 1000 jaar is interessant omdat de Openbaring aan Johannes met de beschrijving van het 1000-jarig rijk daar naar verwijst. De droom van Nebukadnessar en de 70 jaar­weken van Daniël spelen o.a.  in de Openbaring aan Johannes een rol en hebben in hebben een Bijbelse basis. De rest is wat mij betreft speculatief.

Het tweede grote deel van het boek handelt over de feesten. Het patroon van de feestdagen zou een voorafbeelding zijn van de loop van de wereldgeschiedenis. De voorjaarsfeesten zijn vervuld, de najaarsfeesten geven een voorspelling van de loop van de einde van de geschiedenis. Voor dit uitgangspunt ontbreekt elke Bijbelse onderbouwing. Aan de tekst van Paulus over de feesten als schaduw wordt zo een betekenis gegeven die het niet heeft. Vanuit de Bijbel is aan te geven dat door de (eerste) komst van Jezus Pesach is vervuld (maar ook de Grote Verzoendag), door de komst van de Heilige Geest het Wekenfeest is vervuld, en dat Zacharia het Loofhuttenfeest gebruikt als beeld voor de eindtijd. Het gebrek aan Bijbelse onderbouwing geldt in nog sterkere mate voor het Joods huwelijksceremonieel, daar waar het opnieuw wordt gebruikt om het patroon van de eindtijd te beschrijven.

Het meest schokkende vind ik het feit dat de schrijvers niet zijn losgekomen van hun eigen voor­ingenomenheid. Bladzijden lang en bij herhaling moedigen de schrijvers de lezers aan om open te staan voor nieuwe inzichten, hun eigen tradities los te laten, en met een open geest de Bijbel te bestuderen. Maar van begin tot eind blijken de schrijvers vast te houden aan een patroon waarin wordt geleerd dat de gemeente wordt Opgenomen, en vervolgens de Grote Verdrukking zal plaatsvinden en daarna de Wederkomst. Alsof dat volkomen vanzelfsprekend is vanuit de Bijbel. Sterker nog, de schrijvers hechten zeer veel waarde aan Rabbijnse tradities en juist de Rabbijnen leerden een heel ander patroon: een Wederkomst, het aanbreken van een 1000-jarig Vrederijk gevolgd door een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Een patroon dat in detail wordt herhaald in de Openbaring aan Johannes. Er waren drie feesten van de Opgang, waar elke Jood die daartoe in staat was naar de tempel in Jeruzalem moest gaan: Pesach, Wekenfeest en Loofhuttenfeest. De eerste twee zijn vervuld, en ik denk dat inderdaad het Loofhuttenfeest nog vervuld zal worden in de Wederkomst, en ik acht het heel goed mogelijk dat als Jezus terugkomt, dit op het Loofhuttenfeest zal zijn. Maar ook als men wil vasthouden aan het patroon van feestdagen zoals de schrijvers dat beschrijven, dan kan men in het Bazuinenfeest een beeld zien van de 7 bazuinen uit de Openbaring aan Johannes, de Grote Verzoendag als moment van de Wederkomst en begin van het 1000-jarig Vrederijk, en het Loofhuttenfeest als de komst van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. En als men dan perse een parallel wil zien met de Joodse huwelijksceremonie: als men het ophalen van de bruid door de bruidegom ziet als beeld van de Wederkomst en het feest gedurende 7 dagen als beeld voor het Vrederijk, dan klopt het weer. Daarna gaat de bruid naar het huis dat de bruidegom bereid heeft, de nieuwe hemel en de nieuwe aarde. Dus een verklaring zonder de vooronderstelling van een opname van de gemeente is zeer goed mogelijk. Maar nogmaals, er is geen dwingende reden om een chronologische parallel te veronderstellen tussen de volgorde van de feesten en de heils­geschiedenis. En dit geldt nog meer voor het Joodse huwelijksceremonieel.

De schrijvers willen de lezers ervan overtuigen dat het einde der tijden nabij is. Dat waardeer ik. Maar door het grote aantal fouten, inconsequenties en niet nader toegelichte vooronderstellingen schiet men naar mijn mening het doel voorbij. Jammer, want de boodschap dat we de Bijbelse gegevens over de eindtijd serieus moeten is belangrijk genoeg.

                               

Bas Krins

zomer 2015